1968: Praagse lente?

Ook in het Oostblok was er nieuw onbehagen. De eerste voortekenen waren in 1962 al zichtbaar, toen arbeiders in een locomotievenfabriek in Novocherkassk in de Sovjet-Unie protesteerden tegen een verhoging van de voedselprijzen en een verhoging van het productiequotum. De autoriteiten grepen hardhandig in. Het vuur werd op de demonstranten geopend en er vielen 26 doden en 87 gewonden; zeven demonstranten werden ter dood veroordeeld. De gebeurtenissen bleven tot 1992 geheim; er mocht niet over geschreven worden.

De oudere generatie gezagsdragers in het Ostblok had de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en legde de nadruk op hardheid, zelfbeheersing en militaire kracht. Dit paradigma uit het begin van de Koude Oorlog verloor aan zeggingskracht. Er kwam behoefte aan een andere vorm van denken dan de spanning tussen Oost en West, die alle creativiteit leegzoog. Daar kwam de onvrede over het chronische gebrek aan gebruiksgoederen bij, plus het ongemak van het uren lang in de rij moeten staan om iets te kunnen kopen. Huisvesting en voedsel waren gesubsidieerd, universitair onderwijs was gratis en er was volledige werkgelegenheid. Maar de vrijheid van meningsuiting en het stakingsrecht ontbraken, en elke typemachine in privé-eigendom stond bij de autoriteiten geregistreerd. Ook het Oostblok kende een militair-industrieel complex, dat in dit geval de economie zwaar belastte: kanonnen en boter produceren ging niet samen. In de geheime steden van het militair-industriële complex waren de lonen hoger en was voor de nomenklatura alles verkrijgbaar. Maar ook hier drukte de behoefte aan ideologische en bureaucratische beheersing de resultaten omlaag. De productiviteit was laag, grootschalige landbouwexperimenten mislukten en de Sovjet-Unie moest graan importeren om haar bevolking van voedsel te kunnen voorzien.

In maart 1968 braken in Polen studentenopstanden uit. Gomulka (in 1956 was hij nog de redder van de natie geweest, die de Sovjets op een afstand wist te houden) kon nu alleen maar met behulp van de Sovjet-Unie in het zadel blijven. Kadar voerde in Hongarije een economische decentralisatie door, en had daarom belang bij rust in het Oostblok. Roemenië had belang bij een eigen koers en viste graag in troebel water. De Praagse lente was daarom vanaf het begin door buienfronten bedreigd.

In 1962 was in Tsjechoslowakije de economie gekrompen. Er werden hervormingen voorgesteld, maar de partijbonzen trapten op de rem. In 1966 werd door vooraanstaande economen gezegd dat economische hervormingen niet zouden werken zonder politieke hervormingen. De uitgevoerde experimenten met een markteconomie, waarbij plaatselijke managers meer vrijheden kregen bij de productie van gebruiksgoederen, kwamen te laat. Ook begonnen de studenten in opstand te komen. Partijleider Novotny had elke destalinisatie tegengehouden. Zijn bewind werd meer en meer een anachronisme. Hij verloor de steun van de partij en moest vervangen worden.

In januari 1968 werd Dubcek de nieuwe partijleider. Hij wilde met democratisering het communistische systeem bij de tijd brengen: een meer pluralistische samenleving en concentratie op de productie van gebruiksgoederen in plaats van op de zware industrie. Het was het begin van de Praagse lente en van een socialisme met een menselijk gezicht. Maar Gomulka voorzag besmettingsgevaar voor Polen, en Ulbricht voorzag problemen in de DDR: nu was men in het Oostblok bang voor een domino-effect. In Dresden moest Dubcek op 23 maart op het matje komen in een vergadering van landen van het Warschaupact (alleen Roemenië was niet uitgenodigd). Gomulka en Breznjev spraken over een contrarevolutie in Tsjechoslowakije. Alleen Kadar nam het voor Tsjechoslowakije op: als er daar werd ingegrepen, zou Hongarije voor zijn gevoel daarna aan de beurt komen.

Dubcek zat nu tussen twee vuren: de externe druk van andere landen van het Oostblok en de interne druk van hen voor wie de hervormingen niet snel genoeg gingen. Hij dacht dat hij nog beperkte speelruimte had zolang hij trouw bleef aan het Warschaupact. Maar Tsjechoslowakije grensde aan de Bondsrepubliek en was dus een land met grotere risico’s dan bijvoorbeeld Roemenië. De grensversperringen tussen Tsjechoslowakije en de Bondsrepubliek waren weggehaald; per dag kwamen 40.000 toeristen uit het westen in Tsjechoslowakije op bezoek. Er waren onderhandelingen over het aangaan van diplomatieke betrekkingen tussen Tsjechoslowakije en de Bondsrepubliek, dus Ulbricht stond op scherp. Op 4 en 5 mei vonden er in Moskou gesprekken plaats tussen de leiders van de Sovjet-Unie en die van Tsjechoslowakije. Nog even leek er een verzoening tussen Moskou en Praag mogelijk te zijn. In een geheim topoverleg op 8 mei over de situatie in Tsjechoslowakije (weer was Roemenië niet uitgenodigd) waarschuwde Kadar tegen een tunnelvisie en Breznjev maande tot kalmte, maar Gomulka en Ulbricht zetten hun collega’s onder druk. Van 16-21 mei vonden er onderhandelingen plaats over een vriendschapsverdrag tussen Tsjechoslowakije en Roemenië. Anders dan Roemenië bleef Tsjechoslowakije loyaal aan het Warschaupact. Bovendien had Tsjechoslowakije voor democratisering niets aan Roemenië als bondgenoot: een Praagse lente zou in Boekarest ondenkbaar zijn. De relaties tussen Hongarije en Tsjechoslowakije werden in deze maanden wel hechter.

De interne discussies in Tsjechoslowakije maakten het wenselijk om het partijcongres twee jaren naar voren te halen en in september 1968 te laten plaatsvinden. Brezjnev was hier ongerust over: dit partijcongres zou onherroepelijke hervormingen en benoemingen kunnen doorvoeren. Hij nodigde Dubcek uit voor een gesprek, maar deze zei geen tijd te hebben. In Tsjechoslowakije publiceerden 70 prominente intellectuelen een manifest van tweeduizend woorden dat op verdergaande hervormingen aandrong. Een al geplande oefening van strijdkrachten van het Warschaupact op Tsjechoslowaaks grondgebied werd uitgebreid en verlengd. Het vertrouwen begon weg te ebben. Brezjnev nodigde Dubcek uit voor topoverleg in Warschau, maar Dubcek weigerde: hij wilde dat Roemenië en Joegoslavië ook uitgenodigd zouden worden. Dit werd hem niet in dank afgenomen: Dubcek verloor nu de steun van Hongarije.

Tijdens het overleg in Warschau op 14 en 15 juli kwam Kadar onder vuur van Ulbricht te liggen en werd voor het eerst over militair ingrijpen gesproken. Brezjnev was daar nog niet aan toe en gaf de voorkeur aan een politieke oplossing, maar de voorbereidingen voor een militair ingrijpen werden in gang gezet. Tsjechoslowakije kreeg een ultimatum om ingrijpende maatregelen te nemen tegen antisocialistische krachten. Dit ultimatum stuitte in Tsjechoslowakije op hevige protesten. Men wilde niet toegeven aan de opvatting van de andere Oostbloklanden dat binnenlandse zaken ook buitenlandse implicaties konden hebben. Een bilateraal overleg van de Tsjechen met de Sovjets op 29 juli leidde tot de afspraak voor een multilateraal overleg op Tsjechoslowaaks grondgebied. Dit overleg vond op 3 augustus plaats in Bratislava. Geen van de deelnemers aan het overleg was enthousiast. Een minderheid van hardliners in de Tsjechische regering vroeg tijdens het overleg per op het toilet overhandigde brief om de tussenkomst en het ingrijpen van de Sovjet-Unie. Het socialisme in Tsjechoslowakije zou volgens de brief in zijn bestaan bedreigd zijn.

Dubcek zat klem tussen nationalistische en chauvinistische hervormers thuis en boze en bange bondgenoten in het buitenland. Brezjnev werd door zijn eigen Moskouse collega’s onder druk gezet. Ceauçescu sprak op 15 en 16 augustus tijdens zijn bezoek aan Praag nog de onvoorwaardelijke steun van Roemenië voor Tsjechoslowakije uit. Maar in het Politbureau van Moskou werd de teerling geworpen: de politieke middelen waren uitgeput. Het risico van desintegratie van het Oostblok werd te groot gevonden.

Op 20 augustus 1968 vielen de strijdkrachten van de Sovjet-Unie, Polen, Bulgarije, de DDR en Hongarije met 80.000 manschappen Tsjechoslowakije binnen onder het mom van een heilige plicht van socialistische solidariteit om in te grijpen tegen ondermijningspogingen vanuit het Westen. De aan de inval deelnemende DDR-militairen waren hevig verontwaardigd over de hakenkruisen die de Tsjechische jeugd op hun voertuigen schilderde. De regering riep niet op tot verzet, want dat zou zinloos zijn. Het Westen protesteerde wel, maar kon niet tussenbeide komen. De nationale belangen liepen teveel uiteen en het consensusmodel van besluitvorming in de NATO werkte niet. Bovendien hadden de Amerikanen de handen al vol aan Vietnam.

De DDR, Polen en Bulgarije pleitten voor het vestigen van een militaire dictatuur in Tsjechoslowakije. Brezjnev voelde meer voor een normalisering van de situatie. Roemenië protesteerde tegen de ingreep. Ceauçescu, die tegen elke liberalisering in Roemenië was, stelde zich op als de kampioen van de Praagse lente en van de onafhankelijkheid van Moskou. Albanië trok zich op 13 september 1968 als protest uit het Warschaupact terug. De Sovjet-strijdkrachten bleven in Tsjechoslowakije, zogenaamd ter verdediging tegen vijanden van buiten. Dubcek mocht voorlopig onder de nieuwe voorwaarden aanblijven. Hij werd pas in 1969 aan de kant gezet na de rellen bij de op het Sovjet-team behaalde overwinningen bij de wereldkampioenschappen ijshockey in Zweden. De hardliners kwamen aan de macht en de orthodoxie werd weer in ere gehouden: er was geen ruimte voor politiek pluralisme. De ingreep werd verdedigd met de bewering dat de Praagse lente was geïnspireerd door fascistische agenten uit de Bondsrepubliek. De KGB maakte groot misbaar toen in het westen van Tsjechoslowakije een wapendepot met Amerikaanse wapens werd aangetroffen. Revanchistische Sudetenduitsers zouden een aanslag hebben willen plegen. Later bleek dat de KGB het depot zelf had aangelegd.

Voortaan werd de invasie gerechtvaardigd met de Brezjnev-doctrine: een socialistisch land was alleen maar zelfstandig zolang het socialistisch bleef; de handhaving van de partijdictatuur was onaantastbaar. Deze doctrine had ook naar Ulbricht genoemd kunnen worden. De Praagse lente werd levend begraven en de dissidenten gingen ondergronds. Door de partij geregisseerde hervormingen van boven af waren voortaan kansloos in het Oostblok. Veranderingen van onderop, vanuit een burgersamenleving, waren veel moeilijker te onderdrukken. Dat zou later blijken.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: