Na Lucas 2…

Johannes de Doper is bij Lucas meer: Johannes de prediker. Lucas laat de sprinkhanen, de wilde honing en de mantel van kamelenhaar aan Marcus en Mattheüs over. Het gaat hem om de woorden van Johannes, ook tot de tollenaars en tot de militairen. Die vinden we bij Marcus en Mattheüs weer niet. Lucas 3, dus. Na het met Kerst bijna stuk gelezen Lucas 2.

De bijl ligt al aan de wortel van de boom. De wortel is al uitgegraven en blootgelegd. Alles is klaar voor de klap van de kap. Ik lees die woorden van Johannes tweeduizend jaar later en denk: dat kun je nu niet meer volhouden. Of de boom gaat dood, of de bijl verroest en wordt onbruikbaar. Ik geloof in het oordeel van God, maar niet dat het vlak voor de deur staat. Dat geeft een vaag en onbehaaglijk gevoel: moet ik iets geloven waarin ik niet geloof?

“Dominee, gelooft u ook dat we in de eindtijd leven?”. Die vraag liep ik tegen het lijf toen ik nog in de wijk werkte. Ik vind dat een moeilijke vraag want er is geen goed antwoord op. Net als de vraag of je je hond nog steeds schopt. Zeg daar maar eens ja of nee op. Op het moment dat de mevrouw bij wie ik op bezoek was die vraag stelde, deed ze haar kast open om iets lekkers bij de koffie te presenteren. Ik keek over haar schouder mee en zag veel lekkers: wafels, rondo’s, gevulde koeken, sprits. Ik zei: “gezien de inhoud van uw kast bent u nog lang niet uitgetrakteerd; u gelooft zelf niet dat we in de eindtijd leven”. Ze schoot gelukkig in de lach en er ontstond een open en ontspannen gesprek. Maar zij bracht het vage schuldgevoel van veel mensen onder woorden: we zouden veel meer met de eindtijd bezig moeten zijn. Maar na tweeduizend jaar wordt de bijl wel bot: het is niet de tijd om te luchtfietsen. Het is de tijd van internet met cookies en de koektrommel, de tijd van leren voor je toekomst, onderdak bieden aan zoekers, ontdekken wat klimaatgerechtigheid betekent, en… en… en…

De bijl: het is al bijna te laat, bereid u maar voor op het ergste, bouw maar alvast een ark tegen de stijging van de zeespiegel, de nieuwe zondvloed, bondgenoten zoeken, nog gauw excuses voor de slavernij… Niets is hier blijvend. Leusden komt onder water en Amersfoort ligt straks aan zee. Maar dat kan toch niet? Dat is weglopen voor je verantwoordelijkheid. De bijl – of toch weer de koektrommel vol mogelijkheden en uitdagingen – maar nu in het besef dat de voorraad koekjes beperkt is..? De wereld en elkaar afschrijven of toch een weg zoeken…

De mensen vroegen aan Johannes: wat moeten we dan doen? Dat valt nogal mee. Niks offers, radicale koersverandering, duurzame energie, klimaatklevers. Maar heel simpel: de textielcontainer, de voedselbank en de kringloopwinkel. Wie twee stel onderkleren heet, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft, moet hetzelfde doen. Tollenaars, fiscus: vorder niet meer dan wat jullie is opgedragen (het probleem van de Toeslagenaffaire is dat deze uit een opdracht van de Kamer voortkomt). Politie, leger: jullie mogen niemand afpersen en je ook niet laten omkopen, neem genoegen met je soldij. Valt dat even mee. Wat moeten we doen? Gewoon fatsoen en diaconie. Bad, bed, brood. Dit is niet de bijl maar de stofdoek. Spreekt Johannes zichzelf tegen?

Het gaat om een overlevingspakket. Als de bijl al aan de wortel van de boom ligt – dan is er geen tijd meer om breed te studeren op de moraal, op wat een behoorlijk mens zo in het algemeen dient te doen en te laten. Als de bijl al aan de wortel van de boom ligt – dan is er geen tijd meer om breed te winkelen in de supermarkt van de kerk met die onuitputtelijke voorraad aan geloofsartikelen. Dan is het echt: back to basics, of, met het oude catechisatieboekje van vroeger: Het Ene Nodige. Als de bijl al aan de wortel van de boom ligt, dan kom je bij Micha 6 : 8: Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de Levende van jou wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God. Als de bijl al aan de wortel van de boom ligt: kleren delen, eten delen, tevreden zijn en niemand een poot uitdraaien. De bom barst bijna, en in de weinige tijd die nog rest een handvol fatsoensregels. Een overlevingspakket.

Maar als de bijl uit blijft? De Nieuwtestamenticus Joachim Jeremias (Göttingen) muntte de term Gnadenfrist, de notie van het genadig uitstel. De (botte) bijl van Johannes is overruled door Jezus, die groter was dan hij. Ook groter in genade. Het oordeel wordt uitgesteld. Het maakt plaats voor de verkondiging van de gekruisigde en opgestane Heer. De bijl staat voorlopig in het tuinhuisje van de Here God, naast de hark en de bezem. En in die tussentijd is het aan ons om het overlevingspakket van Johannes uit te bouwen met nadenken over een (internationaal) rechtvaardig belastingstelsel, over de mogelijkheid en onmogelijkheid van een rechtvaardige oorlog. Nadenken over misdaden tegen de menselijkheid, het lukraak schieten op burgerdoelen, het verkrachten van vrouwen en meisjes, het klimaat en de giftige atmosfeer in de samenleving. Tweeduizend jaar tijd om na te denken, om het overlevingspakket van toen uit te bouwen tot een handvest. Het geschenk van de tijd.

Er staat eigenlijk nog niet zoveel in het Nieuwe Testament. Want niemand dacht toen aan een heel langdurige geschiedenis .Het Nieuwe Testament heeft het nog niet over de noodzaak van emancipatie en gelijkwaardigheid, regelt niet zoveel over de afschaffing van de slavernij, past zich aan aan de tijd van toen als het gaat over de positie van vrouwen in de kerk, geeft nauwelijks regels over een verantwoorde economie of een verstandige politiek. Want al de Heer er al aan komt en zijn komst voor de deur staat, dan is daar geen tijd voor.

Maar wij kregen die tijd wél. En gelukkig kennen we ook het Oude Testament, en dat bestrijkt een geschiedenis van duizenden jaren en alle terreinen van het leven. Wij kregen de tijd – en de breedte. Dan zou het toch wel zonde zijn als we bij het overlevingspakket van Johannes zouden blijven steken: eten delen, kleren delen, beetje diaconaat en elkaar het vel niet over de oren halen. Het is toch wel jammer dat bij elke verdere ontwikkeling mensen meer hebben gedacht aan een hellend vlak dan aan een helend vlak. Zo van: pas op, gevaarlijk, mijnenveld, waar blijf je, als wij verder gaan dan het Nieuwe Testament… Wij kregen de tijd – en de breedte. Om voor het leven te zorgen. Dan zou het toch wel zonde zijn als we op onze manier onder de leiding van de Heilige Geest niet verder zouden gaan in het spoor van de Bijbel; als we alleen maar zouden napraten, herkauwen, papegaaien.

De (botte) bijl of de vijl, om de rafelranden van de geschiedenis te fatsoeneren? Alles opblazen of proberen op te poetsen waar het nog kan? Met apocalyptiek, met Johannes, kan een mens niet leven. Daarom komt Johannes vrijwel meteen na zijn optreden in de gevangenis terecht. Apokalyptische mensen zijn er vandaag ook. Het einde is nabij en we geloven niet meer in een politiek proces. Harde maatregelen en wegblokkades zijn nu de goede methode. Maar: wegblokkades slagen alleen maar omdat de overgrote meerderheid van de bevolking er niet aan meedoet… Clusters en kloosters slagen omdat de overgrote meerderheid van de bevolking er niet in stapt.

Het werd een heel gesprek. “Wilt u nog een kopje koffie?”. “Graag”, zei ik. “En wilt u er weer iets lekkers bij?”. “Dank u beleefd”, zei ik. “Ik moet aan mijn lijn denken”.

Drie boeken

Het aardige van het leven als emeritus is: je hebt meer tijd om te lezen. Dat hoeft niet per se theologie te zijn. Op school twijfelde ik tussen een loopbaan als predikant en een carrière als docent: aardrijkskunde en/of geschiedenis. Het is de predikant geworden en ik heb daar nooit een seconde spijt van gehad. Maar zo nu en dan kwam de oude liefde weer om de hoek en begaf ik me op het terrein van de geschiedenis, in dit geval de kerkgeschiedenis. Ik wilde bijvoorbeeld weten hoe die Vrijmaking midden in de oorlog in vredesnaam heeft kunnen gebeuren. Niet dat ik vrolijk werd van het resultaat… En nu kan ik me als uitgediende predikant onbekommerd op de algemene geschiedenis storten. Zonder slecht geweten of het gevoel de gemeente tekort te doen.

Lezen, dus. Drie boeken. Alle drie op Kindle. Voor boven op de studeerkamer en voor beneden op de I-pad. Drie geschiedenisboeken. Het eerste is van Lindsay Fitzharris: The Facemaker. A Visionary Surgeon’s Battle to Mend Disfigured Soldiers of World War I (New York 2022). Het gaat over Harold Gillies, de pionier op het gebied van plastische chirurgie tijdens de Eerste Wereldoorlog. De wapens waren gemoderniseerd en de explosieve kracht van de munitie was toegenomen. Vele soldaten raakten in de loopgravenoorlog of in de zeeslag bij Jutland voor het leven verminkt door het verlies van een of meer ledematen. 280.000 mannen uit Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië liepen verwondingen of verminkingen van het gezicht op. Unlike amputees, men whose facial features were disfigured were not necessarily celebrated as heroes. Whereas a missing leg might elicit sympathy and respect, a damaged face often caused feelings of revulsion and disgust (p. 11). Cultureel gezien was verminking aan het gezicht een lot dat erger was dan de dood. Het werd geassocieerd met lepra of een immoreel leven (geslachtsziekte). Verloofden verbraken hun relaties en kinderen vluchtten weg van hun verminkte vader. Plastische chirurgie en anesthesie stonden in de kinderschoenen en ontwikkelden zich pas tijdens de oorlog als afzonderlijke specialismes. De uit Nieuw Zeeland afkomstige arts Gillies begon te pionieren bij het herstel van aangezichtsletsel. Hoe kon je functies (kauwen) herstellen en daarbij tot een resultaat komen dat om aan te zien was? Er kwamen aparte ziekenhuizen met speciale behandelingen. Mensen met gezichtsverwondingen moesten op hun buik worden vervoerd omdat zij anders stikten in hun eigen bloed. Dat soort beginnersfouten mocht niet meer voorkomen. Er kwamen behandelingsvoorschriften en richtlijnen. Tekenaars en fotografen werden ingeschakeld om de ingrepen te documenteren. De aanpak was multidisciplinair en tandartsen speelden een grote rol. Het was geduldwerk: men moest geen haast hebben en juist wél tot morgen uitstellen wat vandaag gedaan kon worden. Een boeiend en vlot geschreven boek. Door de foto’s wordt de oorlog er niet minder gruwelijk van.

Die oorlog had niet alleen maar militaire fronten. Adam Hochschild beschrijft in zijn American Midnight, The Great War, a Violent Peace, and Democracy’s Forgotten Crisis (New York, 2022) het politieke front in de VS rondom Amerika’s deelname aan de Eerste Wereldoorlog. In de VS brak een periode van ongekende repressie aan, die heviger was naarmate het spookbeeld van de Russische revolutie sterker werd. Door de Espionage Act kreeg de regering volmachten om af te luisteren, censuur toe te passen en de postbezorging selectiever te maken. Linkse kranten moesten het onderspit delven omdat hun oplages niet meer per post bij de abonnees konden worden bezorgd. Een beroep daartegen was nauwelijks mogelijk. Onder het vaandel van vaderlandsliefde maakten communistenjagers als Edgar Hoover (later de directeur van het FBI) iedereen die van het gemiddelde afweek of zich negatief over de oorlog uitliet het leven onmogelijk. Daarbij werden dubbelagenten ingezet: activisten die in werkelijkheid bij de overheid in dienst waren. Burgerrechten werden buiten werking gesteld; mensen werden zonder vorm van proces opgesloten en zelfs tegen wil en dank naar Rusland gedeporteerd. Na terugkomst uit de oorlog kregen Afro-Amerikaanse militairen opnieuw met discriminatie en zelfs met lynching te maken. President Wilson had het te druk met de oorlog en de vredesonderhandelingen in Versailles om in de gaten te krijgen wat er in het Amerikaanse binnenland speelde. Op zijn politieke agenda stond Amerika’s deelname aan de Volkenbond en niet het herstel van de binnenlandse verhoudingen. Het resultaat was dat geen van beide lukte: de Senaat verwierp het verdrag dat de Volkenbond moest regelen en de laatste politieke gevangenen kwamen pas jaren ná de oorlog vrij. De president werd door een hersenbloeding geveld; zijn vrouw en zijn adviseurs regeerden de rest van zijn ambtsperiode in zijn naam. Niemand mocht weten hoe slecht de president er in werkelijkheid aan toe was.

De communistenjager van de jaren vijftig, Joe McCarthy, kwam dus niet uit de lucht vallen. Er was al een voorgeschiedenis van achterdocht en verdachtmakingen geweest, die een voedingsbodem voor zijn activiteiten vormde. Een geheime linkse samenzwering had volgens hem de hele Amerikaanse regering besmet. Daar was geen bewijs voor te leveren, maar dat werd bij McCarthy nu juist het “bewijs” hoe goed die samenzwering georganiseerd moest zijn. De complottheorieën van vandaag zijn dus niet nieuw en knopen aan bij een traditie in de Amerikaanse politieke verhoudingen. Datzelfde geldt voor de “omvolkingstheorie”. Kort na de Eerste Wereldoorlog werd het Amerikaanse immigratiebeleid zo ongeveer op slot gedraaid voor mensen uit Zuid- en Oost-Europa. De WASP-genenpool (White Anglo-Saxon Protestant) moest tegen vreemde smetten worden beschermd. Joden werden van dit immigratiebeleid later het slachtoffer. Zo lang is dit dus al aan de gang in de publieke opinie. En wij maar braaf geloven dat de VS zo ongeveer de bakermat van de vrijheid is in plaats van een smeltkroes waarin ook politieke griezels hun plek innemen. Net als in Nederland, trouwens… Niet gruwelijk, dit boek. Maar wel onthutsend.

Het laatste boek dat ik onder handen had is van Max Hastings: The Abyss, Nuclear Crisis Cuba 1962, London 2022. Hastings is een bekende journalist. Hij interviewt mensen en verwerkt die gegevens zien zijn boek. Hij heeft zo ongeveer iedereen die iets over de rakettencrisis weet of er bij betrokken was, gesproken. Daarom lijkt zijn boek teveel op een omgevallen kaartenbak met citaten. Dan is deze deskundige aan het woord, en dan weer die analist. Het gevolg is dat de grote lijnen minder scherp worden. Wat had de VS eigenlijk te zoeken in Cuba? Was de opstand tegen dictator Batista die zo royaal door de VS (tot en met de maffia) werd gesteund niet meteen ook een opstand tegen de bevoogding door de VS? Is Castro niet in de armen van de Sovjets terechtgekomen door de Amerikaanse boycots? Chroesjtsjov had zich kunnen beperken tot een veiligheidsgarantie voor Cuba. Zijn dwaze rakettenavontuur was alleen maar een poging om de achterstand op de Amerikaanse kernbewapening in te lopen. Met de vooruitgeschoven bases in Cuba hoefde de Sovjet-Unie geen langeafstandsraketten te ontwikkelen. Heeft de VS niet veel te nerveus gereageerd (alsof de communisten al in de achtertuin stonden) en daarmee het gevaar groter gemaakt? Het strategische evenwicht was niet aangetast. Niet alleen Chroesjtsjov begaf zich in avonturen; de Kennedy’s deden dat niet minder. Zij gingen hun eigen vermogen tot crisisbeheersing overschatten en kwamen in het avontuur van Vietnam terecht (daar heeft Hastings ook een boek over geschreven).

Om dat boek te gaan lezen (ik heb tot nu toe alleen gebladerd) moet ik eerst wat moed verzamelen. In het boek over Cuba ben ik op blz. 325 (van de 481 tekstpagina’s) blijven steken. Het zoveelste citaat werd me te machtig. En Facebook meldde zich voor een nieuw verhaal: waar blijf je? (om het dan binnen 24 uur van je Facebook-pagina af te kunnen flikkeren)… Bij dezen, dan. En volgende keer weer wat over Lucas. Zijn eerste boek. Daar ben ik nog nooit in blijven steken.

Kerstmorgen 2022 Luttelgeest

Lucas 2 : 1 – 20

Komend jaar is het vijftig jaar geleden dat wij hier kwamen wonen. Beginnend predikant in Luttelgeest-Kuinre. Dus: bijna vijftig jaar Kerstpreken maken. Ik heb al een hoop ervaring. Dat moet toch moeiteloos gaan, denk je dan. Vijftig jaar Kerstpreken, vijftig kerstballen voor u in de boom (van sommige ballen is trouwens de glans al wat af, ze zijn oud en verweerd…). Welke kerstbal moet er vandaag bij jullie in de polderboom?

Ik kan beginnen met keizer Augustus, die een decreet, een dogma, uitvaardigt: alle bewoners van het rijk dienen zich te laten inschrijven. De klassieke kerstbal van de grote Augustus en de kleine Jezus. Ik kan dan laten zien dat die grote Augustus een klein voetnootje in de geschiedenis geworden is, terwijl Jezus over heel de aarde geloofd en geprezen wordt om zijn geboorte, kruis en opstanding. En Jezus doet niemand kwaad, zoals Augustus… zoals Poetin, die in februari met zijn tanks, vliegtuigen en raketten Oekraïne binnenviel. Poetin met zijn dogma van Groot-Rusland, nota bene gesteund door zijn Russisch-Orthodoxe kerk. Dat wordt een fraaie kerstbal, een mooie Kerstpreek tegen de groten der aarde. Een beetje politiek, maar dat geeft niet; dat zijn we langzamerhand wel gewend in de kerk.

Maar Poetin zit niet hier in de kerk, die luistert niet mee. De leiders van China, Noord-Korea, en Iran ook niet. Deze kerstbal hangt te hoog voor jullie, de plaatselijke gemeente. Dus zou ik het dan ook over de Nederlandse politiek moeten hebben. Een kwaaie kerstbal tegen al die hoge heren en dames in Den Haag, die niet weten wat er bij ons op het platteland speelt. De mensen uit de Randstad, van binnen de grachtengordel. De zolder regeert over de polder. Een kwaaie kerstbal – en die hangt bij sommige oppositiepartijen al in de hoogste boom; daar spreken ze al over tribunalen en zo. (In Duitsland waren ze al bezig de regering en de democratie omver te gooien). Ik zou er bij moeten vertellen dat wij in het noorden door kerken in het zuiden van de wereld gezien worden als Augustus met zijn empire. Wij behoren volgens hen bij de grootmachten. Niet zo gezellig. Dan ben je toch wel heel ver bij vandaag is jullie redder geboren vandaan.

Schaf de politiek toch maar niet af. Er moeten toch mensen zijn die de uiteenlopende belangen tegen elkaar afwegen en de boel bij elkaar houden, die orde op zaken stellen en wetten handhaven. Mét politiek kan het verkeerd gaan. Maar we denken toch niet dat het zónder politiek en democratie veel beter wordt? In de afgelopen vijftig jaar ben ook ik met die politieke kerstbal bezig geweest. Wat iedereen deed dat, ook in de kerk. Achteraf – een mens wordt helaas achteraf pas wijzer, berouw komt nooit vóór de zonde, jammer eigenlijk – achteraf word ik er niet zo vrolijk van. Het was wel actueel, maar: heeft het de mensen – en mijzelf – dichter bij de Heer en Heiland gebracht? Bij vandaag is jullie redder geboren? Deze klassieke kerstbal gaat daarom maar weer terug in de oude doos.

Even verder kijken. Als het Augustus niet is, wat wordt het dan? Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Dan heb je de volgende kerstbal al in handen, weer een mooi thema voor een Kerstpreek. De vluchtelingen uit Oekraïne, die uit vrees voor de Russen naar West-Europa kwamen en overal opgevangen zijn. Onderdak, zelfs bij de mensen thuis, onderwijs, opvang; voedselhulp, dekens, generatoren. Of de andere migranten en vluchtelingen, weggetrokken of gevlucht uit onherbergzame streken en omstandigheden, op zoek naar een beter leven in Nederland. De vaak uitgebuite arbeidsmigranten (niet alleen in Qatar!). Ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam – maar ineens heeft de Kerstbal een ander kleurtje gekregen dan in het verhaal van Lucas: ieder uit de plaats waar hij vandaan kwam. Je moet dus een béétje smokkelen bij deze kerstbal; niet alleen maar smikkelen, maar ook smokkelen met Kerst. Ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam wordt: ieder uit de plaats waar hij vandaan kwam.

Een lastige kerstbal. Opgevangen in Nederland, ook hier in het asielzoekerscentrum bij Luttelgeest – en u doet als gemeente uw best om daar wat van te maken. Maar voordat er hier in de polder een nieuw centrum bij komt moeten we eerst eens kijken waarom zowat alle asielzoekerscentra niet in de Randstad zijn, maar in de regio – zei uw burgemeester. Als er ineens veel migranten komen en in de afgelopen jaren opvangplekken juist gesloten zijn, en er woningnood is vanwege het stikstofprobleem (ik durf het hier in de polder nauwelijks te zeggen), loopt alles vast. De regering moet met speciale akkoorden komen en aparte wetgeving om de last eerlijk te verdelen.

Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Toch niet zo’n goede invalshoek, geen mooie kerstbal. We zitten wéér bij de politiek. We raken verder en verder bij vandaag is jullie redder geboren, de engelenboodschap, vandaan. Wij willen er wat mee en wij moeten er wat mee, wij zijn bezig redding te verwekken, te organiseren, te managen, allemaal drukke mensen, bezige bazinnetjes en baasjes… Ook ik ben in de afgelopen vijftig jaar met deze kerstbal, deze manier van Kerstpreken, bezig geweest. Maar steeds meer het gevoel: dit is het niet. Terug in de doos dus, deze kerstbal. Ik hou niet van smokkelen met teksten.

Ze wikkelde hem in doeken en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het gastenbedrijf. Wéér een andere kerstbal, een andere Kerstpreek: gastvrijheid. Niet maar ons kent ons, onze eigen cultuur en tradities, maar gevoeligheid voor anderen en samen met hen op weg naar nieuwe tradities. Betlehem wordt schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Gesloten deuren, gesloten harten.

Maar nu ben ik op mijn reizen voor de kerk verschillende keren in Betlehem geweest, ben daar ook naar de kerk geweest bij Palestijnse christenen, heb met hen en hun voorgangers gesproken. Buitengewoon gastvrij waren ze daar. Als ze zich voor één ding schaamden, dan is het voor die éne keer van toen: geen plaats in het gastenverblijf. Ze hebben bijna het gevoel dat ze het goed moeten maken, in dat hedendaagse, gastvrije Betlehem – waar voor christelijke en andere Palestijnen bijna geen plaats meer is vanwege het opdringerige beleid van de regering van Israël. Voordat je ’t weet heb je met deze kerstbal de hele problematiek van het Midden-Oosten in je boom, in je preek hangen – en van Kerst en van vrede op aarde komt weinig meer terecht. Als je ruzie wilt in de kerk, ga dan schrijven over Israël – of over de kinderdoop. ’t Gaat gegarandeerd fout. Gauw terug in de doos.

Toch maar even dóór zoeken. Welke Kerstpreek, kerstbal, invalshoek? Niet zo ver daar vandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Wij lezen thuis het Nederlands Dagblad. De ene dag stond op de opiniepagina een groot artikel: herders waren om zo te zeggen de “zigeuners” van toen. Gezien als het uitschot. Men zag ze liever op het veld dan in de steden. Ze mochten niet getuigen in de rechtbank. De Kerstpreek is dan gauw klaar: juist de randfiguren zijn de eerste Kerstgetuigen, zij zijn de laatsten, die de eersten worden. En wij moeten op de laatsten passen, tegen uitsluiting en discriminatie. Maar de andere dag stond er in het Nederlands Dagblad een ander opinieartikel. Onzin, dat van die randfiguren. De herders waren juist de elite van die tijd. Zij zorgden voor de schapen die als offerdieren in de tempel zouden dienen. Zij werkten samen met de priesters, hadden een functie bij de eredienst. Ook dan is de Kerstpreek gauw klaar: God knoopt voor het uitvoeren van zijn heilsplan aan bij zijn trouwe dienaren: de kosters en de organisten, de collectanten en de bezorgers van de wijkbrief.

Die invalshoek, kerstbal, moet ook maar niet. Lucas zegt er ook niets over in zijn verhaal. Het is echt iets dat wij in de kerstboom hangen: kneedbare herders die je in elke gewenste stand kunt zetten. Zeg mij hoe uw herders zijn en ik zal zeggen wie u bent. Deze kerstbal is goochelarij: je stopt achter de schermen de herders van jouw keuze in de hoge hoed en tovert ze vervolgens op de preekstoel tevoorschijn. En je raakt al doende steeds verder bij het vandaag is jullie redder geboren vandaan… Terug in de doos.

Maar wat dan wél? Nu ben ik niet alleen maar bijna vijftig jaar predikant, maar ook bijna vijftig jaar theoloog. Alle tot nu toe genoemde kerstballen, kerstpreken, invalshoeken, hebben één ding gemeenschappelijk. Ze gaan allemaal over: wat wij voor Jezus moeten en kunnen doen en dus ook voor elkaar. Niks ontvangen en niks mediteren, maar meteen aan de slag: wat kunnen wij voor Jezus doen in de politiek, in de opvang, in de gastvrijheid, in de trouw, in het inclusief zijn, hoe kunnen (of móeten…) wij helpen? Wat kunnen wij voor Jezus en dus voor elkaar doen: mijn krant staat deze maand vol met advertenties voor goede werken in Nederland en in de wijde wereld. Dat ligt ons, het past in onze cultuur. Wij “moeten” heel veel van onszelf. En als wij van onszelf niet “moeten”, dan ”moeten” wij van anderen, die met opgestoken christelijk vingertje graag in onze agenda willen schrijven, over klimaat en opwarming en schepping (gelukkig: dat thema ook genoemd in deze Kerstpreek, dat verplichte nummer ook weer gehad…). De kerk “moet” van alles en nog wat. Lobby voor de hobby (ik word soms een beetje cynisch). Druk, druk, druk – burnout, overspannen, moe…

Vandaag is jullie redder geboren: de kerstpreek van de engel. Dáár gaat het om. De rest is daarvan afgeleid of bijzaak. En ik maak me na 50 jaar Kerstpreken toch wat zorgen. Heb ik zoveel ballen in de boom gehangen dat we de boom niet meer zien? Afgeleid door alle kleurtjes en schitterende vondsten? Hebben we zoveel bij het kerstverhaal gemaakt dat de goede boodschap is ondergesneeuwd: voortaan is God ons rakelings nabij, bijna aanraakbaar… Hij is niet meer van alzo hoge, alzo veer. Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft, zegt Johannes in zijn kerstpreek. Druk, druk, druk – te druk om te ontvangen, te geloven dat je er mag zijn, dat je bemind bent, dat God welbehagen, heilig plezier, in jou heeft. Er ligt voortaan een bodem onder je bestaan die rotsvast is. Er ligt voortaan een toekomst voor je open die niemand dicht kan doen. Ontvang dat eerst maar eens, met Kerst. Al dat andere komt daarna wel. Maar laat het er niet vóór schuiven, als een zonwering, een gordijn. Eigenlijk komen wij pas met Pinksteren aan de beurt. Dan zie je ineens overal mensen spreken en dingen doen.

Vóórdat het Pinksteren wordt, is er heel die weg van Jezus. De weg die bij de kribbe, de voederbak, begint – en verder loopt langs Goede Vrijdag en Pasen. Eerst maar eens stilstaan bij wat God voor ons gedaan heeft, zijn gave, die in Bethlehem begon. En niet meteen, direct, iets terug willen doen, omdat ontvangen zo lastig is, zo afhankelijk maakt. Marcheren en doordraven is gemakkelijker dan op je knieën gaan. Als je goed nadenkt, is ontvangen veel lastiger dan geven. Hoe zal ik U ontvangen, is zo ongeveer het moeilijkste lied dat ik ken.

De weg van God is in doeken gewikkeld en ligt in een voederbak. De kracht van God toont zich voortaan in een klein en kwetsbaar mensenleven. Een timmerman uit Nazaret en een jonge vrouw, een meisje nog, zwanger. Daar begint God zijn verhaal. En nu Augustus en de hele politieke santenkraam maar even vergeten, en de organisatie van het kerkenwerk, en het management van de samenleving, enzovoort. Maar gewoon feest vieren, even vrede op aarde, even licht in het donker. Even stil worden bij het Kind, en meegaan op de weg van God. De herders keerden zingend terug, staat er.

Nu heb ik geen ballen meer: ik ben uitverkocht. Ik heb geen kerstboom meer. Het wordt een beetje kaal in huis, maar ik heb dat oude versje: moede kom ik, arm en naakt, tot mijn God die zalig maakt… Daar kom ik een heel eind mee – u ook?

Zacharias verstaat geen Engels

Advent en Kerst: Lucas 1 : 5 – 25

Zacharias schrok hevig en werd door angst overvallen. Raar. Het is mogelijk: vroom en gelovig zijn en je aan alle geboden en wetten van de Here God houden. En de papieren ook nog prima voor elkaar: Zacharias komt uit de priesterorde van Abia en Elisabet stamde zelfs af van Aäron. Dan ben je helemaal het neusje van de zalm (of het neusje van de psalm). De praktijk ook netjes geregeld volgens het Dienstboek: die en die priesterorde aan de beurt en het lot valt op Zacharias om het reukoffer te brengen. De core business piekfijn voor elkaar. En dan toch hevig schrikken en door angst overvallen? In de tempel ben je dicht bij God. Als je nu érgens een engel zou verwachten, dan toch in de tempel? Dat kan dus: in bedrijfsblindheid gestolde eredienst. Iedereen vervult keurig zijn rol. Op alles is gerekend behalve op God. Of op een engel.

Kijk: als bij mij in een dienst plotseling een engel binnenvalt, schrikt de gemeente niet. Ze denken alleen: daar heb je Evert Overeem weer met een nieuwe inval. Hij heeft weer eens wat bedacht (of verzonnen). Hij is al niet zo van de vaste rituelen (zou misschien nog eens op bijscholing moeten). Maar het kan dus, ook in de Bijbel: vroom en gelovig, alle wetten en voorschriften gevolgd, de dienst precies volgens het boekje, niemand vertrekt een spier. Het gaat over God. Maar Hij past er niet in. Hij mag niks zeggen of beginnen…

Waarom geloofde Zacharias niet wat de engel hem zei? Ze zullen moeder en vader worden van een bijzonder kind, en dat is-ie. Deze mensen zijn opgevoed, gespockt en gemazeld, met de verhalen van hun Bijbel, de Tenach, bij ons het Oude Testament. Ze wisten: Abram en Sara waren ook oud- en toch kregen ze Izaäk. Kinderen maak je niet, toekomst maak je niet. Kinderen, toekomst: ze overkomen je, ze vallen je toe, je krijgt ze van God cadeau. Dat thema komt in veel verhalen terug. Izaäk en Rebekka: ze zijn ook onvruchtbaar. En dan ineens een tweeling! Dat kun je niet maken, dat krijg je van God cadeau. Jakob heeft later twee vrouwen. Lea krijgt wel kinderen, Rachel krijgt ze niet. En als ze dan eindelijk Jozef krijgt (een wonderkind, maar elk kind is een wonderkind), zegt ze met zijn naam: doe me er meteen maar nog een (dat heb ik een kraamvrouw nog nooit horen zeggen). En zo kreupelt, krukt en hinkt het maar door in de verhalen van het Oude Testament. De stokkende toekomst – totdat God ingrijpt. De vader en moeder van Simson. Hanna, de moeder van Samuël. Het zat er niet in, en het kwam tóch. Toekomst wordt niet gemaakt of gemanaged, maar geboren. Zacharias en Elisabet zijn groot geworden met deze verhalen. Ze horen bij hun DNA.

Men zegt in de Bible Belt wel: Zacharias had een historisch geloof. Zijn vrouw en hij geloofden alles wat in de Bijbel staat, van kaft tot kaft (ook al hadden ze in de tijd van Zacharias nog geen kaften). Hij geloofde dat het wáár was – maar het was voor hem zélf niet waar. Hij had een historisch geloof – maar geen zaligmakend geloof. Een zaligmakend geloof is dat het ook voor jou waar is. Dat had Zacharias niet. En de preek wordt duidelijk en is dan gauw klaar: werk aan je behoud, zorg dat je er bij komt, bij dat zaligmakend geloof, want niet alles wat geloof heet, is echt geloof. Maar dat staat er niet. Dan moet ik aan de goochelaar denken: met veel fanfare een konijn uit de hoge hoed halen – dat je er eerst achter de schermen zelf in hebt gestopt. Sommige predikanten lijken op goochelaars – ’t is alleen niet zo vermakelijk, maar bittere ernst.

Een variant daarvan vind je bij de evangelischen. Jezus is opgestaan – maar is hij ook voor jou persoonlijk opgestaan? Is jouw geloof wel een persoonlijk geloof, is Jezus wel jouw persoonlijke Heiland? En met de handen in de lucht heel hard bidden en werken om het persoonlijk te maken: werk aan je behoud, zorg dat je er bij komt, bij het persoonlijk geloof (de moderne variant van het zaligmakend geloof). Dat kan mijn evangelische zus, predikant in Zwitserland, wel willen – maar dat staat er niet. Weer die goochelaar: achter de schermen iets in de tekst stoppen en op het podium met veel fanfare het als een vondst tevoorschijn toveren. En er moet dan zoveel – een mens zou er moe en moedeloos van worden, want het is niet gauw goed. Gelukkig ligt Zwitserland ook niet te dichtbij…

De Bijbel is geen psychologische geloofsroman. Ik zoek nog even verder. Waarom geloofde Zacharias nu niet wat de engel zei? Moet je eens kijken naar wat de engel zègt – en niet zegt, net niet zegt. Een heel bekende tekst, die het einde van de lezingencyclus in de synagoge markeert. Daarna begint men weer bij Genesis.

De engel haalt een tekst aan, het einde van het Oude Testament, de profeet Maleachi – maar hij laat iets weg. Engelen mogen dat, kennelijk. Engels spreken, om zo te zeggen. Maleachi heeft het aan het eind van zijn woorden over Mozes en Elia. Die twee zijn niet gewoon bij ons gestorven of begraven – ze waren ineens weg, bij God. En daarom geloofde Israël dat die twee – Mozes en Elia – nog eens terug zouden komen, om af te maken wat ze hier begonnen waren. Houd je aan het onderricht van Mozes, zegt Maleachi. Voordat de dag van de Heer aanbreekt, stuur Ik jullie de profeet Elia, zegt Maleachi.

Elia zal de gebroken verhoudingen herstellen, zegt Maleachi. Hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en dat kinderen zich verzoenen met hun ouders. Wat is er soms een hoop ellende tussen ouders en kinderen, kinderen en ouders. Jeugdzorg, gezinstherapie, hebben er de handen vol aan. Bevroren conflicten. Iedereen voelt zich slachtoffer en heeft dus gelijk. Het moet van twee kanten komen, zegt men. Eenzijdige oplossingen helpen niet. Als één partij per se wil winnen, heb je alleen maar verliezers. Elia komt en dan zal ’t wezen: ouders verzoenen met kinderen, kinderen verzoenen met ouders, iedereen heeft even veel gelijk of ongelijk, iedereen doet een beetje water bij de wijn, een compromis.

En ik denk: als dat de dag des Heren moet worden, dan valt het toch wat tegen. Het heeft veel weg van lap- en reparatiewerk – en dat deed ik als dorpsdominee ook al, daar hoefde toch geen Elia voor te komen? Als ik de zoveelste advertentie voor een nieuwe predikant zie (ook al ben ik emeritus, ik blijf ongeneeslijk nieuwsgierig) dan lees ik dat de nieuwe predikant goed voor de jongeren en voor de jeugd moet zijn maar ook aandacht moet hebben voor de oudere zusters en broeders. En dat in een part-time functie voor drie gecombineerde gemeenten in zes dorpen in Friesland (het voorbeeld is ècht, ik verzin het niet). Iedereen heeft een beetje water bij de wijn gedaan en de nieuwe dominee moet er in deeltijd iets moois van gaan maken. Daar hoeft toch geen Elia voor te komen? Zo slim of geslepen zijn wij zelf wel. Dat doen wij zelf allang: iedereen levert evenveel in – en duidelijke keuzes worden niet gemaakt of zo lang mogelijk uitgesteld. Is dat heil, Koninkrijk, toekomst? Arme dominee…

Maar die engel laat iets weg. De zoon die aan Zacharias en Elisabet beloofd wordt zal als een nieuwe Elia optreden om ouders met hun kinderen te verzoenen. De ouders moeten met de kinderen mee. Dat de kinderen met de ouders verzoend worden, dat laat de engel weg uit de woorden van Maleachi. De nieuwe dag van de Heer, het nieuwe begin van God, is niet meer het herstel van het evenwicht, het eeuwige compromis, de worsteling om een beetje evenredige verdeling van de aandacht tussen jong en oud. De nieuwe dag van de Heer is de keuze voor de kinderen. De oude rechten en verworvenheden van het verleden moeten plaats maken voor de toekomst. Zó legt de engel de Bijbel uit: een stap verder dan Maleachi, een stap verder dan oplappen en repareren, een keuze voor de nieuwe generatie. De ouderen moeten met de jongeren mee. Niet Zacharias II; je moet hem Johannes noemen… Met het Kind mee, wordt de boodschap. Niet pas in Lucas 2, maar al in Lucas 1.

En dat is de omgekeerde wereld..! Want de eeuwige vraag, de standaardvraag, is altijd of de kinderen wel het spoor van de ouderen volgen. De ouderen zijn ook de betalende leden. Die hebben de macht. Volgen de kinderen wel het spoor van de ouderen, en krijgen de ouderen wel de zorg en de aandacht die zij door hun levenslange werk verdiend hebben, betalen de kinderen die kerkelijke hypotheek wel af? Ik ben natuurlijk ook een soort goochelaar – maar ik kan het met de tekst aantonen.

De engel laat iets weg, God gaat een keuze maken – maar ik ben in mijn leven heel wat keren aan mijn kop gezeurd over mijn tamelijk eigentijdse taalgebruik en “onze oudere zusters en broeders”. Maar die weten alles al en hebben alles al, het zaligmakend geloof en het persoonlijke geloof, dus die zouden zich toch geen zorgen hoeven te maken waar zij zullen blijven? Dat weten zij toch? Maar de kinderen en jongeren die het nog niet weten… Wat is er fout gegaan als ik ergens preek en ik behoor tot de jongste aanwezigen? Hoe komt de kerk aan zo’n bejaard, verjaard, image – met gedateerde muziek (wee en ach, het is weer Bach) en achterdocht tegen alles wat eigentijds en anders is? En een eindeloos gezeur over elke nieuwe berijming of elk nieuw liedboek of elk nieuw Onze Vader…

Ik begin een beetje te begrijpen waarom Zacharias niet geloofde wat de engel zei. Dat Elisabet en hij op hun oude dag moeder en vader zullen worden, is tot daar aan toe. Maar dat zij op hun oude dag met hun kind mee moeten – dat er nog niet eens is… Dus niet Zacharias de Tweede, netjes naar zijn vader genoemd, netjes priester bij de afdeling van Abiam, en op zijn beurt het reukoffer brengen, je kunt de klok er op gelijk zetten… Maar Johannes, een nieuw begin van God, groot in de ogen van de Heer (terwijl hij nog klein is), een bode van het formaat van Elia die het volk gereed maakt voor de Heer. Dat past niet in hun verwachtingspatroon. Mee met de kinderen – met je rollator vrolijk in de optocht? Desnoods naar de “oudernevendienst” terwijl de kinderen in de kerkzaal blijven. Daar mogen de ouderen tekeningen maken over hoe het vroeger allemaal beter was…

Ik begin nu te begrijpen waarom Zacharias niet geloofde wat de engel zei. Omdat Zacharias niet alleen is. Wij hebben ook nog de grootst mogelijke moeite om mee te komen. Om onbekommerd te geloven dat ook de kerk weer zwanger en vruchtbaar kan worden. Stom – van Zacharias en van ons. Vooral stom van ons – want het Kind is er allang…

Goede bedoelingen en gare rapen

Over de krant van vandaag

Aan de krant van vandaag (Nederlands Dagblad, 6 december) houd ik een onbehaaglijk gevoel over. De gal werd al zwart bij het lezen van een artikel over de toegang van mensen met een beperking tot de rechtspraak. Natuurlijk, denk ik, zijn er verbeterpunten. Maar met de regelmaat en het doordreunen van een heistelling valt zes keer in het korte artikel de doffe klap van het woord “moeten”. Met de subtiliteit van een loden deur…

Nogal wat predikanten (waaronder ikzelf) zijn al jaren bezig om dat m-woord af te leren. De Goede Boodschap draait niet om het woord “moeten” maar om het woord “mogen”. Je mag er zijn van niemand minder dan God. Schaf daarom dat dwangmatige en vreugdeloze taalgebruik waarmee je de goegemeente lastig valt eerst maar eens af en zie hoeveel er dan overblijft. Hanteer een uitnodigende taal zonder de “moeten”-machtsgreep. Jezus begon niet met de zweep maar met de zaligsprekingen (tenzij je die gaat verkrachten tot verkapte geboden). Hebben we in de kerk dat woord net afgeschaft en dan kopt de krant het er paginabreed weer in. Niemand die het genoemde artikel leest, springt op van vreugde onder het motto van “kom ga met ons en doe as wij”. Niemand geeft zich op als rolstoelduwer tot in de rechtszaal aan toe. Iedereen blijft met het mes van een vaag schuldgevoel in de buik zitten. Een concreet handelingsperspectief ontbreekt. Het komt door die machtsgreep van zes keer “moeten”. Als iemand het woord “moeten zou mogen hanteren, dan God. Maar Hij doet het het niet, want Hij is God…

@dsdiederik plaatste een korte tweet. Daarna bladerde ik verder door de digitale krant. Kom ik op de opiniepagina wéér zo’n artikel tegen: Hoe maken we onze boodschap aan Qatar geloofwaardig? Door niet alleen naar de slechte arbeidsomstandigheden rond de bouw van voetbalstadions te wijzen, maar in de spiegel te kijken omdat veel van onze kleding onder erbarmelijke omstandigheden in Bangladesh wordt gemaakt. Het Nederlandse belastingklimaat, gunstig voor grote bedrijven, betekent dat ontwikkelingslanden miljarden aan belastinggeld mis lopen. Onze oplaadbare auto’s en telefoons zijn mogelijk door het gebruik van grondstoffen die in Congo onder oorlogsomstandigheden gewonnen worden. Met Qatar ben je dus niet klaar. Er moet nog veel meer. Arme idealisten die om principiële redenen zich het genot van voetbalwedstrijden uit Qatar ontzeggen. Ze dachten daarmee iets goeds te doen, maar straks mogen ze zelfs niet meer met hun bondgenoten bellen en moeten zij hun treurige en naakte (Bangladesh!) bestaan in eenzaamheid lijden (deze taalfout is opzettelijk).

Laat maar. Ik zal u niet meer lastig vallen met het artikel: “Natuurverlies is een sluipmoordenaar” of het artikel over de zoveel tekort komende student die nu de maatschappelijke discussie over vergrijzing actiever wil voeren. Krijgen de ouderen straks een spuitje omdat ze teveel kosten?, denk ik dan. Het is eerder geprobeerd in Europa. Er “moet” van alles veranderen in de door sprekers en schrijvers zozeer gewenste richting. De sluipmoordenaar is allang actief: wéldenkend Nederland, vaak gesubsidieerd, grijpt de macht en laat anderen zich wentelen in aangepraat schuldgevoel. Totdat die anderen daar schoon genoeg van krijgen en rechts-populistisch gaan stemmen. Daarna komen er andere artikelen in de krant (als kranten dan nog verschijnen mogen): “Hoe kan dat nou? We hadden het zo goed bedoeld. Waarom willen mensen ons niet aan hen laten vertellen wat goed voor hen is?”. Dan is het één keer (let wel: één keer) goed om terug te blaffen en te zeggen: “jullie kunnen allemaal de pot op, ik ga vandaag gewon voetbal kijken”. Mij heb je bijna al zover…

Hande(rs)lingen 16: het loopt fout af (slot)

Hij had al vrij kunnen zijn als hij zich niet op de keizer had beroepen (26 : 32)

Ineens staan we met Paulus in de rechtszaal. Hij is in Jeruzalem ten onrechte aangeklaagd. Het is echter de vraag of Paulus het allemaal zelf niet heeft uitgelokt, door met stoom en kokend water tóch naar Jeruzalem te willen. Zijn thuisgemeente was Antiochië en een overleg met de andere apostelen was ook daar mogelijk geweest. Maar nu staan we ineens in de rechtszaal. Het is ingewikkeld (dat zijn processen altijd).

Ik stribbel een beetje tegen. Wat heb ik bij de rechtbank te zoeken? Ik heb toch niks verkeerds gedaan? TV-programma’s als Bonje met de buren of de Rijdende Rechter sla ik meestal over. Daar wil je toch niet bij horen, je zou er voor je verdriet geen rol in willen spelen. Natuurlijk moeten er rechtbanken zijn, en een rechtsstaat. Maar je kunt er het beste een paar meter vandaan blijven. Maar wat als een ander bonje met jou zoekt en een rechtszaak tegen jou begint? Paulus wordt vanuit Jeruzalem aangeklaagd. Ik herinner me uit de beginjaren van de PKN ook nogal wat rechtszaken. Een groepering van conservatieve Hervormden (later de Hersteld Hervormde Kerk) beschouwde zich als (enige) voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk. Zij wilden niet mee met Samen op Weg en wensten alle plaatselijke kerkelijke bezittingen. Zij spanden het ene proces aan na het andere en verloren hun zaken stelselmatig. Het kostte tonnen aan advocaatkosten, en ik mopperde er vanuit de directie van de dienstenorganisatie op: het kwam immers allemaal uit de collectezak. Maar wijzere mensen dan ik zeiden dat het anders miljoenen zou gaan kosten. Misschien wil jij de rechtbank niet, maar als een tegenstander jou als mikpunt kiest, kun je toch maar beter een goede advocaat en een dekkende rechtsbijstandsverzekering hebben…

Hoe staat het met Paulus’ kansen? In Jeruzalem loopt hij gevaar en krijgt hij geen eerlijk proces. Daarom is hij naar Caesarea, de keizerstad, overgebracht. Daar wordt hij beschuldigd en aan het lijntje gehouden. De Romeinse gezagsdrager Felix doet geen uitspraak, hoopt door Paulus omgekocht te worden, en houdt hem twee jaren onder een mild regime gevangen. De rechter doet geen recht. Felix: je kunt nog geen kattenvoer naar de man noemen.

Felix’ ambtsperiode zit er op. Zijn opvolger Festus erft het hoofdpijndossier-Paulus. Hij maakt er meteen werk van en hoopt Paulus in Jeruzalem terecht te kunnen laten staan. Paulus weigert en gaat in hoger beroep bij de keizer. Dat recht heeft iedere Romeinse staatsburger. Festus kan nu niets meer doen behalve een rapport voor de keizer schrijven. Waarschijnlijk is hij blij dat hij van de zaak af is en geen uitspraak hoeft te doen (zoals Pontius Pilatus ook rust kocht). Hoe schrijf je nu een dossier waar de keizer iets mee kan? Festus nodigt lokale gezagsdragers, koning Agrippa en koningin Bernice, uit om Paulus te (ver)horen en zo materiaal te verzamelen voor een brief van de stadhouder aan de keizer.

’t Is toch wel een toestand rondom Paulus. Iedereen is in de weer met zetten en tegenzetten. De tegenstanders zetten zelfs een advocaat in. Maar de oergemeente in Jeruzalem blijft oorverdovend stil. Konden ze niet voor Paulus opkomen, of durfden ze niet? Maar toch ook weer de vraag of Paulus het zelf niet uitgelokt heeft door naar Jeruzalem te gaan. Iedereen voor jou in de weer en voorbeden gevraagd van hier tot ginder – maar een profetische kamelenharen mantel is aan de binnenkant niet gevoerd en prikt dus nogal. Die jas moet je niet te gauw aantrekken. Pijnlijk geval, dus.

Paulus mag zichzelf verdedigen. Hij kiest niet de invalshoek van de schandalige behandeling: twee jaren onschuldig vast zitten en aan het lijntje gehouden worden, geen eerlijk proces, als een hete aardappel doorgeschoven naar Jeruzalem, slachtoffer van politieke spelletjes, vormfouten, onmiddellijke invrijheidsstelling met schadevergoeding, enzovoort, enzovoort. In plaats daarvan heeft Paulus het over de inhoud. Kernpunt is de vraag: past de opstanding van de Here Jezus bij de beloften die aan Israël zijn gedaan, ja of nee? Eerst heeft Paulus “nee” gezegd – totdat op weg naar Damascus de Here Jezus hem aansprak in het Hebreeuws, de taal van de beloften. Het paste wél. En voortaan heeft Paulus altijd in het licht gewandeld dat hem toen omstraalde en heeft hij daarvan onder de zegen van God getuigd.

Dezelfde emmer die Paulus op weg naar Damascus over zich heen kreeg, keert hij nu om boven Festus, Agrippa en Bernice. Alles moet in één preek, in één verdedigingsrede. De bedrijfsblinde apostel. Wat hem is overkomen, kan bij toch niet bij een ander herhalen? Festus reageert letterlijk dat Paulus dat manische, dan maniakale, waarmee hij de christenen eerst vervolgde, nog steeds niet kwijt is. Agrippa wordt door Paulus onder druk gezet en maakt zich er met een grapje van af. Mensen die met de “emmer-methode” tot geloof gekomen zijn hebben nogal eens de neiging om dit bij anderen te willen herhalen. Schrijft Paulus daarom in 1 Timotheüs 3 : 6 dat je iemand die pas bekeerd is geen leider van de gemeente moet maken: het jachthondeninstinct is dan nog te groot..? De “druppel-methode” is toch ook goed: kleine stappen, het ene verhaal na het andere, het ene lied na het andere; God werkt bij stukjes en beetjes.

Ik vraag me af of Paulus’ betoog in de rechtszaal past. De rechtbank gaat niet over geloof of theologie en is daartoe niet bevoegd. De rechter kan niet beoordelen of de opstanding van de Here Jezus nu wel of niet bij Gods beloften aan Israël past. Als de rechter “ja” zegt, komt niemand tot geloof. En als de rechter “nee” zegt, heb je er een gigantisch probleem bij. De rechter kan alleen maar beoordelen of er wetten overtreden zijn, of de openbare orde geschonden is, of iemand ten onrechte benadeeld is. De rechter kan zich niet uitspreken over de vraag of de Here Jezus mag opstaan of niet. Maakt Paulus geen contact met de aarde meer? Bedrijfsblindheid kan de beste van ons overkomen.

Het hele verhaal gaat als een nachtkaars uit. Het koningsechtpaar en Festus concluderen dat Paulus niets heeft gedaan wat dood of gevangenschap verdient. Hij had al vrij kunnen zijn als hij zich niet op de keizer had beroepen. Een wel erg mechanische redenering. Men had Paulus ook onmiddellijk een vrijgeleide naar Antiochië kunnen geven met het dringende advies om weer op reis te gaan. Hij had er dan zelf voor kunnen kiezen om naar Rome te gaan. Maar er is nu eenmaal op een bepaalde knop gedrukt en daar hoort een bepaalde uitkomst bij: x kan nu eenmaal geen y opleveren. Wie in een juridisch proces verzeild raakt, moet met een juridische uitkomst leven: “dit is de uitspraak en daarmee moet u het doen”.

Merkwaardige verhalen in dat Handelingenboek. Ik vertelde ze net een beetje anders. Want van vragen worden die verhalen sterker. Het geloof van Paulus betekent nog niet: geloven áls Paulus. Paulus als model en reisgids. Nee, meer een uitnodiging om zelf na te denken over de afgelegde en nog af te leggen weg. Met als motto: niet emmeren, maar druppelen…

Hande(rs)lingen 15: waar moet een mens heen?

“Laat gebeuren wat de Heer wil” (Handelingen 21 : 14)

Jaren geleden liepen we in Amerika op de horlogeafdeling van de Walmart. Er hing een groot bord: What Would Jesus Do? Mijn vrouw vroeg wat ik van zo’n slagzin vond. “Jezus droeg in ieder geval geen horloge”, zei ik. Mijn vrouw vond dat toch wat kort door de bocht…

Het gaat in dit verhaal om Gods leiding voor Paulus. Welke kant moet Paulus van Hem op? In het verlenge daarvan: waar moeten wij naar toe, welke kant op? Wat verwacht Hij van mij: wel of niet solliciteren, een studie volgen, een relatie aangaan – en met wie? Wat wil God persoonlijk voor mij?

Sommigen vinden dat een ouderwetse vraag. Knusse kleinschaligheid. Hopeloos heilsegoïsme. Vraag liever wat God met de naaste wil. Dat klinkt beter. Vraag liever wat God met de wereld wil. Je moet niet doen alsof jij zo belangrijk bent. God heeft zijn handen veel te vol aan al die anderen, aan de hele wereld, om ook nog eens op jou te letten.

Het lijkt even heel (edel)moedig. Maar de naaste is nergens zonder mij. De wereld, de geschiedenis: ik leef er ook in en maak er deel van uit. Ze zijn niet compleet zonder mij. Het gaat niet alleen maar om het persoonlijke. Dat is inderdaad te smal. Maar het persoonlijke hoort er wél bij. Het gaat in dit verhaal niet om Paulus persoonlijk. Het gaat om zijn ambt, zijn taak, zijn werk in Gods Koninkrijk. Maar daar is Paulus wél voor nodig. Je kunt Paulus niet zomaar met Petrus verwisselen (en dat is maar goed ook). Het kan niet voor hetzelfde geld iemand anders zijn. Het persoonlijke hoort er wél bij. Dat God iets persoonlijks met jou en mij heeft, is in de Bijbel wel helder. Maar wat heeft Hij met ons voor? Wat is mijn plekje, wat wordt er gevraagd – en wat wordt er niet gevraagd?

Veel mensen kunnen gelukkig wel praten over Gods leiding achteraf. Als ze omkijken naar de kluwen van hun leven. Een doolhof vol rare knopen en onduidelijke kruisingen. Achteraf hoor je mensen dan zeggen: het was niet voor niets dat ik hier terecht kwam. De doolhof was toch een weg. Er was toch een pad, een vinger, een hand van God. Soms hield die hand mij zelfs tegen. Leuk was dat niet. Soms heeft die vinger ook wel bijgestuurd. Dat streek ons tegen de haren in.

Dat mag je – voorzichtig – ook wel tegen elkaar zeggen. Voorzichtig, en niet te getuigend, te nadrukkelijk, te “evangelisch”. De doolhoven van onze levens zijn verschillend en de manieren waarop we er min of meer heelhuids uitkomen lopen nogal uit elkaar. Voor mij kan God veel verder weg zijn dan voor een ander, en omgekeerd. Als we praten over een God die persoonlijk iets met ons voor heeft, dan mag niemand standaardiseren of een meetlat hanteren – zoals de vrienden van Job deden. Persoonlijk is persoonlijk. En zo praten we wel eens voorzichtig met elkaar over Gods leiding achteraf. Misschien met een paar gram vertrouwen dat het morgen ook wel met de wereld, de naaste en onszelf goed zal komen.

Gods leiding gisteren en eergisteren, dat gaat nog wel. Maar Gods leiding morgen: hoe dan? Want het leven bestaat uit beslissingen. Je kunt niet gaan zitten wachten op een briefje uit de hemel. Het leven en de geit moeten vooruit. De samenleving vraagt om snelle beslissers. Dan doe je dat maar, in arren moede. Met de handen in de lucht: God zegene de greep. Met een gat in de buik (net als dat beeld van Zadkine in Rotterdam: niet moeders mooiste, maar wel realiteit). En altijd die vraag: heb ik het wel goed gedaan, zit ik op het goede spoor?

Je kunt om raad vragen. Om een second of een third opinion. Vroeger liepen mensen veel dominees af. Nu zijn er coaches. En ze spreken elkaar allemaal tegen, daar in de hulpverleningsindustrie. Dat komt door het persoonlijke. Mensen willen een persoonlijk antwoord en geen standaardantwoord uit een boek. De dominees spreken elkaar tegen want zij weten alleen iets over Gods leiding bij zichzelf. Coaches hebben geen verstand van Gods leiding bij jou. Het persoonlijke maakt dat het smaakt, maar maakt het ook zo moeilijk. En wat, als zelfs apostelen niet de oplossing zijn, maar het probleem vormen?

Voor Paulus was het ook moeilijk. Het afscheid van de kerkenraad in Efeze in het vorige hoofdstuk valt zwaar. Paulus vertelt over zijn weg naar Jeruzalem, naar gevangenschap en vervolging. Heel die kerkenraad barst in gehuil uit en ze vallen Paulus met zijn allen om de hals. Paulus moet zich van hen losscheuren (21 : 1). Paulus denkt niet: deze houding van de kerkenraad is een vingerwijzing uit de hemel. Zo’n hele kerkenraad kan zich niet vergissen. Ik zal het wel bij het verkeerde eind hebben. Nee, hij scheurt zich los. Het lijkt erop dat hij een eenmansbedrijfje begint. Die anderen zijn toch ook gelovig en hebben een stem in het kapittel. Zij vinden dat hij zich op het zendingsterrein veel nuttiger kan maken dan in Jeruzalem. Het gaat toch niet om een ouderwets jongensboek met een heldenrol voor Paulus…

In Tyrus wordt het nog moeilijker. Niet naar Jeruzalem! – zeggen de leerlingen daar. En ze zeggen het door de Geest. Alsof de hemel schizofreen is, met twee monden spreekt. Weer een afscheid op het strand. Deze keer zijn de vrouwen en kinderen erbij. De druk, het appèl op Paulus worden groter. Niet alleen de gemeente, maar ook de helft van de Geest lijkt het niet eens met Paulus te zijn.

Dan naar Caesarea. Naar Filippus, die we nog kennen van de doop van de hoveling uit Ethiopië. Vier ongetrouwde dochters heeft hij, die de gave van de profetie bezitten. Maar zij zeggen niets. De profetie is objectiever, komt van buiten. Agabus is een gerenommeerd profeet uit Judea. Hij heeft in Handelingen 11 met “succes” een hongersnood voorspeld. Een deskundige van buiten. Hij heeft het over gebonden worden, overgeleverd aan de heidenen. Hij zegt er niet bij wat Paulus nu moet gaan doen. Dat zeggen de anderen nu wel: het reisgezelschap (inclusief Lucas) en de gelovigen in Caesarea zeggen met zijn allen dat Paulus niet naar Jeruzalem moet. Paulus staat alleen. En er is geen stem uit de hemel, zoals indertijd op weg naar Damascus.

Dat was toen de stem van Jezus. En deze Jezus is de gekruisigde en opgestane. Wat de anderen ook zeggen, Paulus’ weg moet volgens hem rijmen op die van Jezus. Die naam noemt Paulus: ik ben niet alleen bereid me in Jeruzalem gevangen te laten nemen, maar ook om er te sterven omwille van de naam van de Heer Jezus. Als wat Paulus doet niet op de weg van Jezus lijkt, lijkt het nergens meer op. Dat is zijn overtuiging en zijn houvast. Meer hoeft hij niet te weten en meer hoeven ze niet te bidden: uw wil geschiede. Maar het blijft een beetje mat en onzeker klinken. Want is Paulus nu een authentieke levensgids of een fanaticus met een messiascomplex? Als zoveel mensen in Gods naam een andere kant op wijzen, mag je dan dwars daar tegen in je eigen richting doorduwen? Het is wel persoonlijk, maar dient het de missie, het Koninkrijk? Wat Paulus wil is misschien goed voor de Here Jezus, maar is het ook goed voor de mensen?

Wij komen daar niet meer achter. Er staat nergens dat wij Paulus hierin moeten volgen. Zoals het volgen van de Here Jezus ook iets anders is dan na-apen. Wij staan niet in zijn schoenen (en Hij van tweeduizend jaar geleden ook niet in de onze, zou ik bijna zeggen). Die slagzin What would Jesus do?, vind ik in ieder geval fout. Jezus is niet te vinden op de horlogeafdeling van een Amerikaanse kwadraatsupermarkt. Gods leiding kom je op het spoor door door de Bijbelverhalen heen te kruipen. En dan persoonlijk je conclusies trekken, binnen de gemeenschap van de gelovigen. Ik geloof in een persoonlijke God – met anderen. Ik geloof voorzichtig… van verhaal tot verhaal…

Hande(rs)lingen 14: Preken tot de dood er op volgt?

Daarna sprak hij nog lange tijd (Handelingen 20 : 11)

Ik vond het als kind al een oneerlijk verhaal. Zo lang preken totdat er iemand dood uit het raam naar beneden valt. Dan gebeurt er een wonder dat nergens anders gebeurt – en Paulus preekt door, alsof er niet gebeurd is. Daar zat je dan, als kind in de kerk. Kindernevendienst had je toen nog niet. De preek duurde honderdtweeënvijftig orgelpijpen, vijfentachtig glas-in-lood raampjes, drieëndertig lampen en twee pepermunten. En dat twee keer per zondag. Gelukkig preekte mijn vader (die was ook dominee, ik heb het van geen vreemde) vaak over Bijbelverhalen. Die verhalen kende ik van thuis uit de kinderbijbel en van school. Zo nu en dan viel er een kwartje en begreep ik iets. Maar dit verhaal bleef ik oneerlijk vinden. Zo lang preken tot er een dode valt en daarna weer gewoon verder gaan.

Het voordeel van verhalen is dat je er vragen bij mag stellen. Zo van: hoe kan dat nu en had dit nu niet anders gekund? Verhalen kunnen daartegen en worden daar sterker van: al vragenderwijs worden ze van jou. Gelukkig komt God tot ons in verhalen. Verhalenderwijs leer je geloven: met de kinderbijbel, op school, in de kindernevendienst en steeds vaker in de kerk. Gelukkig begint de Bijbel niet met formules, zoals a kwadraat plus b kwadraat is c kwadraat. De Bijbel begint met in het begin en je vraagt je meteen af hoe het dan verder gaat. Aan formules mag je geen vragen stellen. Sommetjes hebben maar één goede uitkomst. 1 plus 1 blijft 2 en dat zal nooit veranderen; twee maal twee is en blijft vier. Ik had op school niks met wiskunde, maar heel veel met verhalen. De Here Jezus ook, denk ik. Hij vertelde gelijkenissen en niet de tafels van vermenigvuldiging.

Verhalenderwijs leerde je geloven. Daarna – ik volg even mijn eigen biografie – werd je groter en mocht je naar de knapenvereniging en naar de catechisatie. Langzaam maar zeker (en onverbiddelijk!) werden de verhalen vervangen door formules en sommetjes. In de Heidelberger Catechismus (ik ben daar degelijk in onderwezen) stonden de vragen voorgeschreven en de antwoorden voorgedrukt. Als je dat nu maar wist en uit je hoofd kon op zeggen, dan kwam het wel goed. Verhalen waren voor kinderen, dacht men, een beetje kinderachtig. Een béétje protestants mens kende de sommetjes, die maar één goede uitkomst hadden. Hoe meer sommetjes en formules, des te beter. En geloof kon je bijna uit je hoofd leren en opzeggen.

Waarom zijn zoveel mensen op hun geloof afgeknapt? Omdat de verhalen, denk ik, werden bedolven onder de sommetjes. De sommetjes bleken niet te kloppen op het echte leven. Het echte leven aan de sommetjes aanpassen – dat werd wel geprobeerd maar dat bood geen oplossing. Het werkelijke leven van vreugde en pijn, van een wereld vol nieuwe inzichten en problemen, was te diep en te hoog voor de sommetjes en de formules. En verhalen waren vergeten. Overwoekerd.

Die verhalen, waaraan je vragen mocht en moest stellen, want daar werden ze beter en sterker van. Die verhalen, waar lang niet altijd een happy end aan zat, maar ze waren wel écht. Bijbelverhalen zijn geen sprookjes van “en ze leefden nog lang en gelukkig”. Daarom preek ik zo ongeveer mijn leven lang al over verhalen. Ik heb mijn tanden ook wel eens in de brieven gezet, of in de grote en kleine profeten. Maar dan gebeurde er niks. Net als bij pianoles: Bach, en alleen maar Bach, en er gebeurde niets bij mij. Dat kwam pas bij Beethoven en Schumann (voor sommige mensen is dit vloeken in de kerk maar bij mij was het echt zo: Bach klopte altijd, was te wiskundig voor mij…). Toch weer die verhalen – en die zijn lang niet kinderachtig.

Troas, Troje, vandaag. Die stad heeft bij Paulus nooit een eerlijke kans gehad. Op de tweede zendingsreis doen zich complicaties voor. Het lukt gewoon niet. Alsof de Heilige Geest blokkades legt. Paulus mag niet in de buurt van de eerste zendingsreis blijven, maar moet veel verder. Ten einde raad komt Paulus in de kustplaats Troje. Hij is er nog niet of hij wordt er meteen vandaan geroepen. ’s Nachts droomt hij van een Macedonische man, die zegt: steek de zee over naar Macedonië en help ons. Paulus moet veel verder dan zijn eigen oude dromen. Meteen vertrekt hij uit Troje. Troje was alleen maar springplank naar de overtocht – zoals Holwerd alleen maar vertrekpunt is voor de boot naar Ameland.

Troje komt er bekaaid af vergeleken bij Korinte. In Korinte werkt Paulus anderhalf jaar. Troje komt er bekaaid af vergeleken bij Efeze. In Efeze werkt Paulus drie jaar. Dan pas, dan eindelijk, staat Troje op het programma. Niet als einddoel, maar (weer) als tussenstop. Paulus wil eigenlijk naar Jeruzalem.

Paulus komt zelf nog niet naar Troje. Hij blijft de Stille Week in Filippi, in Macedonië: zijn lievelingsgemeente. Hij stuurt zeven mannen(!) vooruit naar Troje. Lucas schrijft het zo op dat bij die zeven mannen twaalf namen klinken. Paulus’ werk is gezegend: zeven mensen uit het oude werkterrein in Klein-Azië en uit het nieuwe werkterrein in Griekenland. Twaalf namen. Zeven en twaalf: getallen van volheid. En na Pasen komt Paulus zelf naar Troje. Terug van een hele tijd weggeweest. Daar blijft het gezelschap een week. Vol verwachting. Nu zal de Heilige Geest niet meer op de rem trappen (zoals de vorige keer) maar vol gas geven.

Ik kan het verhaal niet anders vertellen dan op mijn manier en mijn vragen (ik heb geen andere manier). Verhalen gaan nooit volgens het boekje. In Troje zijn dus al dagenlang zeven mensen met twaalf namen aan het werk. Die hebben natuurlijk niet in een hoekje zitten klaverjassen totdat Paulus zelf kwam, totdat het Chefsache werd. Nee, die mensen kon je om een boodschap sturen, De Boodschap. Die hebben natuurlijk niet zitten duimen draaien in Troje, dat kun je op je vingers natellen. Als zeven mensen met twaalf namen beginnen te werken, dan gebeurt er iets. Nu blokkeert de Heilige Geest de toegang niet meer, zoals op de tweede zendingsreis. Het paard van Troje is met zeven mensen sterk de stad binnengehaald en de stad moet zich gewonnen geven. Die zeven mensen hebben natuurlijk niet gezegd: “wij doen even helemaal niks totdat de grote baas Paulus zelf komt”.

En nu komt Paulus en nu zal ’t wezen? Nu pas het echte, op zondagavond (zondag was toen nog een gewone werkdag). Nu alles inhalen, alsof die zeven de hele week niks gezegd hebben. En maar preken, Paulus. Hoe langer de preek, hoe beter. Hoe meer ballen in de kerstboom, des te meer kerstboom. Alles willen zeggen alsof er voor jou geen anderen zijn geweest en er na jou geen anderen meer zullen komen. Snel even alle tafels van vermenigvuldiging van het geloof er nog even in stampen. Geen “amen” durven zeggen en de rest aan God durven overlaten. Geen oog voor de mensen. Geen oog voor die jongeman, die in de hitte en benauwdheid van dat bovenvertrek met al die olielampen in de vensterbank is gaan zitten, helemaal boven in, waar nog wat frisse lucht naar binnen kwam. Hoe moet het dan op de vloer van dat bovenvertrek geweest zijn? En Paulus maar preken, want in Troje moet er net zoveel in gestampt worden als in anderhalf jaar Korinte en drie jaar Efeze. En de dominee, hij preekte voort (zoals de boer maar voortploegde). Bedrijfsblind: alleen maar de tekst, en niet de mensen – en daar komen ongelukken van…

We kwamen bijeen voor het breken van het brood, schrijft Lucas. Avondmaal, zouden wij zeggen. En bij het Avondmaal denk je toch aan dat andere Verhaal van: het is volbracht. Dan denk je niet aan en je gelooft niet in alles wat je nog niet hebt gezegd en niet hebt gedaan en waar je niet aan toe gekomen bent. En maar schuld, harder lopen, en een nog langer Avondmaalsformulier om het allemaal duidelijk uit te leggen (het sommetje moet kloppen). Bij het Avondmaal denk je toch aan wat de Here Jezus wél gedaan heeft voor ons. Het gaat in het christelijke geloof niet om het tekort dat wij oplopen, maar op het overschot dat Jezus brengt. Het is volbracht: het allerbelangrijkste is al gebeurd, de dood en de opstanding van de Here Jezus.

Kijk: sommetjes moeten compleet zijn. Die moet je afmaken totdat ze compleet zijn opgelost. Maar verhalen mogen onderbroken worden met vragen, worden soms niet voltooid, mensen blijven er misschien in steken – maar onder al die verhalen ligt het éne Verhaal van het is volbracht. Maar Paulus rekt zijn preek maar uit. Alsof hij zelf niet gelooft in het breken van het brood en wat dat te zeggen heeft. Alsof hij die Stille Week echt niet meegemaakt heeft. Totdat Eutychus in slaap valt en van de derde verdieping neerstort en dood is. Hij belichaamt de val van Troje.

Maar Troje mag achter de Here Jezus aan weer opstaan: ook daar wordt het Pasen. Eutychus wordt weer levend in het verhaal (dat kan in verhalen, niet in sommetjes). En daarmee is het eigenlijke toch al gezegd en heb je de kern van het evangelie toch te pakken: de levende Heer nodigt ons aan zijn tafel, breekt het brood met ons, volbrengt alles – en lang zullen we leven in de gloria… Wat moet daar dan nog bij? Waarom na het breken van het brood nog lange tijd doorpreken voor die doodvermoeide mensen in Troje totdat de dag aanbreekt en Paulus vertrekken kan? Nu is er in Troje iets gebeurd wat in anderhalf jaar Korinte en drie jaar Efeze niet gebeurd is. Dan kun je toch feest gaan vieren en samen een potje zingen. En dan toch maar doorpreken?

Merkwaardig: aan het einde van dit verhaal heet Eutychus in het Grieks ineens niet meer jongeman, maar kind. Daar zit een diepe waarheid in. Bij een verhaal – al ben je opa of emeritus-predikant of oudtante – mag je weer kind worden. Verwonderd, open, zonder rekenmachine – met alle vragen die bij een verhaal horen. Zelfs Paulus was dus niet klaar met geloven. In een verhaal mag je dat hardop zeggen. Mijn ervaring is dat geloven dan weer levend wordt. Dat mensen opleven en zeggen: o, dus zó kan het ook? Wat heb ik dan een hoop gemist, nu wordt het tenminste weer spannend.

Verhalen gaan langer mee dan sommetjes, langer mee dan een preek. Zelfs een preek van honderdtweeënvijftig orgelpijpen, vijfentachtig glas-in-lood raampjes, drieëndertig lampen en twee pepermunten. Preken tot de dood er op volgt? Liever: verhalen vertellen totdat het Leven er op volgt.

Hande(rs)lingen 13: Afscheid van Paulus

(Handelingen 20 : 17 – 36)

Ik sla even een stukje over. Troas loopt niet weg. Eerst even iets anders. In het Nederlands Dagblad van 7 november staat een artikel over de kritiek van hulpbisschop Mutsaers (Den Bosch) op de synode van de paus: de Heilige Geest heeft er niets mee te maken, het proces wordt voorgestaan door verdedigers van het homohuwelijk en van abortus; de deelnemers willen aardig gevonden worden door hun seculiere omgeving en ontwijken duidelijke keuzes. Pikant is dat Mutsaerts nu samen met de andere bisschoppen in Rome is voor het bezoek “aan de graven van de apostelen” (ad limina): een soort kerkelijk functioneringsgesprek. In Den Bosch werken bisschop de Korte en Mutsaers nauwelijks meer samen. En dan toch samen in Rome de eucharistie vieren en op audiëntie bij de Paus? Kan wat in Den Bosch niet kan, ineens wél in Rome? Je moet Katholieke genen hebben om hier iets van te begrijpen; het past niet zo bij het DNA van protestanten…

Paulus heeft geen tijd om langs Efeze te gaan. Hij nodigt de oudsten van de gemeente (de kerkenraad, zouden wij zeggen) uit voor een afscheidsbijeenkomst in Milete. Paulus kijkt terug en legt verantwoording af: hoe is het tussen jullie en mij geweest? Hij kijkt ook vooruit. Zijn eigen weg: boeien, gevangenschap en verdrukking. Hij kijkt ook naar de weg vooruit van de gemeente in Efeze. Zij zullen hem niet meer zien. Er zullen woeste wolven komen die het op de kudde voorzien hebben. Zelfs uit de gemeente zelf zullen lieden opstaan die de waarheid verdraaien voor eigen gewin. Drie jaren lang heeft Paulus de gemeente geadviseerd. Soms was het tranentrekkend moeilijk…

Waardoor zijn de oudsten van de gemeente het meest van slag? Dat ze Paulus niet meer zullen zien. Na drie jaren samenwerken komt nu het afscheid, niet eens in Efeze zelf. Nog even afscheid in de buurt en dan zwaaien ze hem verdrietig uit. Zo meteen zal het schip met de apostel aan boord over de horizon verdwijnen. Hadden ze niet veel beter moeten luisteren? De boodschap over die roofzuchtige wolven en de gevaren voor de kudde. Daartoe zijn ze door de Heilige Geest als (hulp)bisschoppen (episkopoi, vers 28; ons woord bisschop is daarvan afgeleid) aangesteld. Een beetje bisschop let daar toch op en laat zich niet door het persoonlijke en het aardig vinden van elkaar afleiden. Ze moeten hun mouwen opstropen, op wacht staan naar buiten en naar binnen: als er ook maar één schaap bij de kudde komt, dat schaapskleren draagt maar bij nader toezien deugt het niet…

Toch begrijp ik die kerkenraad van Efeze wel. Ik vind het ook jammer. Paulus weg. De échte en dat proef je. De handen voortaan niet meer opgelegd krijgen door de werkmanshanden van de tentenmaker maar door de fijne kneepjes van de zilversmid (die heb je ook in Efeze, dat staat in hoofdstuk 19). De echte Paulus die zich niet schaamt de weg te volgen die Jezus ook ging: naar Jeruzalem om daar te lijden. De Pinksterpaulus die zich niet langs de gemakkelijkste wegen liet leiden. De Paulus die zijn leven als dienst, diaconie, ziet: het is zaliger te geven dan te ontvangen. De Paulus die gewoon met de mensen op de (zere) knieën gaat en bidt… Die Paulus is weg. Op het schip van het leven weggevaren over de zee van de tijd. Wat wij hebben, tweeduizend jaar later, is de papieren Paulus. Niet meer de verhalen, maar de brieven aan de Romeinen, de Galaten, de Efeziërs. Bij de papieren Paulus staat alles keurig zwart op wit, hoe het niet en hoe het wél moet. Hoe we moeten leven, wat we moeten laten en vooral wat we moeten doen. Tenminste, zo lezen we vaak. Met de echte Paulus kunnen we niet meer praten: de echte Paulus is voortaan van papier.

Als wij dat niet meer weten, is er vast wel een episkopos, een (hulp)bisschop, die nu wél op wolvenjacht gaat. Loerend kijkt hij (bisschoppen zijn meestal een hij) of er ook maar iets verkeerd dreigt te gaan. Of er ook maar aan één van de lettertjes van de papieren Paulus geknabbeld wordt. Zelfs de s(y)node plannen van de paus moeten het ontgelden. De vrouwen mogen in de gemeente van deze papieren Paulus niet aan het woord komen, de homo’s mogen geen relatie aangaan (zo krijg je ook homo’s van papier in plaats van echte). De man is het hoofd van de vrouw en kan het voetenwerk gerust aan haar overlaten. Het zaad van de man moet goed terecht komen. Het staat er, je kunt het opzoeken en met de papieren in de hand bewijzen. Mooi gemakkelijk, toch? Het is lange tijd zo geweest en we plukken er nog steeds de wrange vruchten van. Je kunt het oorzaken nu eenmaal niet kwalijk nemen dat ze gevolgen hebben. Psychiaters hebben een nieuwe ziekte ontdekt: de ecclesiogene (in de kerk geboren) neurose. Een kerk die zich meer om de papieren dan om de mensen bekommerde. En de angst van de mensen die zich (eindelijk) aan de papieren hebben ontworsteld: er hoeft maar je dàt mis te gaan of alle oude angsten komen terug…

Protestanten hebben dan wel (officieel, ten minste) geen bisschoppen, maar bij kerkenraden en synodes is het ook ontspoord. Met de letterlijkheid van de papieren Paulus is tucht geoefend en veel leed veroorzaakt. Daarom durf je vandaag in de kerk het woord “tucht” eigenlijk niet meer uit te spreken (en soms is zwijgen goud). Anderen, mede-protestanten, zijn nog niet zo heel lang geleden voor “valse kerk” uitgescholden, voor “wolven in schaapskleren”. Want als de jachthonden eenmaal de geur en de smaak en de lucht van tucht geproefd hadden, waren ze niet meer te houden. Ook protestanten dragen hun geschiedenis als een loden last mee. Je zou waarachtig – net als de kerkenraad van Efeze – heimwee krijgen naar de Paulus van vlees en bloed. Een apostel van Jezus Christus, maar ook een mens van vlees en bloed. Een mens van zijn tijd en zijn dagen. Het ging hem niet om voorschriften en letters. Het ging hem om Jezus Christus. De voorschriften en letters waren de voertuigen waarvan hij zich in zijn tijd bediende (en niet letterlijk voor tweeduizend jaar kerkgeschiedenis bedoeld). Een middel en niet het doel. Het doel is zelfs ook voor protestanten niet de Bijbeltekst maar Jezus Christus. Zou je achter de papieren Paulus terug kunnen en mogen gaan?

Paulus zegt dan ook niet tegen de oudsten van de gemeente dat ze als waakhonden op de anderen moeten letten (sommige waakhonden zijn net zo bijterig als wolven). Paulus zegt ook niet dat ze op de traditie moeten passen. O wee, als er ook maar één puntje op de i verkeerd komt te staan, stort het hele traditie-gebouw als een kaartenhuis in elkaar. Paulus zegt in de eerste plaats dan de episkopoi op zichzelf moeten toezien en voor zichzelf moeten zorgen. Want hoe zul je werken met knowhow en deskundigheid als de wijsheid ontbreekt? Hoe zul je met elkaar een gemeente leiden als je jezelf niet in de hand hebt en geleid wordt door de liefde van Christus? Hoe zul je gezag uitstralen, iets te zeggen hebben, als je niet dienstbaar kunt zijn?

Zorg voor jezelf. Hoe kijk je naar jezelf? Als bewaker in een museum? Niets mag van zijn plaats, niets mag verdwijnen, of besmeurd worden door activisten. Angstvallig alles en iedereen in de gaten houden. Maar het woord “angstvallig” staat niet in de Bijbel. Wel het omgekeerde: je hoeft niet bang te zijn, vrees niet. Het christelijke geloof is geen museum, tenzij je dat er zelf van maakt. Hoe kijk je naar jezelf? Als wachter bij een traditie, die ongeschonden de toekomst in moet zonder dat er iets aan verandert? Maar het christelijke geloof is toch geen doos die je ongeopend doorgeeft aan wie na ons komt: talenten zijn er niet om in de grond begraven te worden. De traditie gaat door onze handen en harten heen en fouten maken is onvermijdelijk… Zou je koninklijk onbezorgd naar jezelf kunnen kijken: we gaan ondanks alles samen naar Rome en wie weet heeft Papa wel een goede boodschap voor ons.

Conclusie: ook al zou het zo zijn dat ik alle poten stijf kon houden, alle waarheden hebben bewaard en die tegen anderen kon hanteren, maar had de liefde niet…

Hande(rs)lingen 12

Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp (Handelingen 16 : 9): over Troas en Holwerd

Holwerd in Noord-Friesland: iedereen moet er langs maar niemand wil er naar toe. Vijfentwintig kilometer bochtige provinciale weg, het ene dorp na de andere rotonde, en dan eindelijk: Holwerd. Maar niemand stopt daar of stapt daar af. Nog even doorrijden en dan komt de veerdam in zicht. Holwerd: daar vertrekt de boot naar het beloofde land, naar Ameland. Zoals in Troje voor Paulus de boot uit Turkije naar Griekenland vertrekt. Troje is alleen maar opstapplaats, vertrekpunt, springplank. En dat is niet helemaal eerlijk verdeeld…

Paulus wil in Turkije preken. De eerste zendingsreis met een beetje plus. Maar het lukt niet: alsof de duvel ermee speelt. Het is trouwens deze keer niet de duvel, maar de Heilige Geest. Die drijft Paulus steeds verder tot hij geen andere kant op kan dan naar Troje. En in Troje ineens dat visioen: steek over naar Macedonië en help ons! Eindelijk een weg, een opening, nadat alle deuren op slot leken te zitten. Paulus moet verder dan zijn stoutste dromen, zegt dat visioen.

Achteràf zeggen wij: zo is het voor ons in Europa begonnen. Paulus trok alleen maar van de ene provincie van het Romeinse Rijk naar de andere provincie. Maar wij lezen achteraf en zeggen dus dat zo het evangelie naar Europa is gekomen, ons werelddeel. En dat kon alleen omdat ergens anders de deuren door de Heilige Geest waren dichtgedaan. Wees dus maar een beetje bescheiden over Europa: tweede keus van Paulus. Europa lijkt even op een parasiet, die groot is geworden op kosten van anderen.

Je zou het niet zeggen (ook achteraf niet): In ons oude, ruziemakende, oorlogvoerende, vermoeide Europa is het een keer met een visioen begonnen. Een vergezicht, dat alles in beweging bracht. Kom daar vandaag maar eens om: de tijd van de grote verhalen en samenbindende visioenen is voorbij, zegt men. We maken geen meters meer, maar millimeters. Van de ene crisis naar de andere, en mensen krijgen moeite de financiële eindjes aan elkaar te knopen. Mensen praten elkaar het wantrouwen aan.

Maar om u – en mezelf! – een beetje te troosten: toen ging het ook niet gemakkelijk. Ook toen ging het evangelie er niet in als koek en vonden mensen het maar bar moeilijk om te geloven. Visioenen werken niet vanzelf. Want Paulus steekt de zee over naar Macedonië, naar Europa. Maar niemand staat op hem te wachten. Ook niet de Macedonische man uit het visioen. Wat wil je ook, Paulus? – zeggen wij achteraf. Dit is Europa en hier hebben we alles al. We zijn al voorzien, aan de deur wordt niet gekocht, en ga maar ergens anders lopen leuren met je aanbod. Dit is Europa: niet meer verwonderd of dankbaar, maar een beetje moe of cynisch.

Geen Macedonische man te bekennen. Ook geen tien joodse mannen, genoeg om een synagoge te hebben. Er is alleen maar ergens buiten, aan de rivier, een gebedsplaats. Daar komen geen mannen. Alleen maar vrouwen – en die telden in die tijd niet zo mee. Lydia, de purperverkoopster, de rijke zakenvrouw, komt tot geloof. Maar voor Lydia had Paulus de zee niet over hoeven te steken. Lydia komt uit Tyatira in Turkije – en uit Turkije komt Paulus nu net vandaan. Paulus zal het gevoel hebben gehad dat God vreemd in het potje roert. De eerste die in Europa tot geloof komt is niet een Urkse ouderling maar een Turkse vrouw (met haar spreekwoordelijke gastvrijheid).

Geen Macedonische man, die zegt: “welkom, Paulus, eindelijk ben je er”. Maar een Turkse vrouw – en nog een andere vrouw: een slavin met een waarzeggende geest. Zij loopt de hele tijd achter Paulus en zijn metgezellen aan te schreeuwen: deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God en verkondigen u hoe u gered kunt worden! Een waarzeggende geest: daar is wél markt voor in Europa. De toekomst plannen, morgen maakbaar maken, volgend jaar beheersen, de crisis doorbreken. Futurologie en economie en beurskoersen en de gasprijs. Er zit me toch een hoop handel in waarzeggerij! Er zit me toch een hoop waarzeggerij in de handel! De slavin brengt haar eigenaars veel geld op. Paulus laat die vrouw een poosje begaan. Reclame is nooit weg – en misschien wordt er nu een Macedonische man wakker en verandert dat visioen in werkelijkheid.

Ergens kan het ook weer niet. Het is te tegenstrijdig: een slavin, een winstmachine, uitgebuit en uitgemolken, roept iets over gered worden. Nee, zij zelf niet. Zij blijft slavin, kan niet gered worden. Dat kán toch ergens niet. Paulus begint wakker te worden over de slavernij. En de boodschap van Jezus Christus is toch iets ánders dan waarzeggerij. Geloven is: bij de dag leven, met God. En morgen geeft God wéér een dag. En let maar op de bloemen in hun mooiste tooi en de vogels met hun hoogste lied (zei Jezus). Niet nu alvast volgende maand alles tot in het kleinste detail plannen, desnoods met een meerjarenfinancieringsperspectief (leuk woord voor Scrabble?). Beheersbaarheid is iets anders dan bevrijd leven.

Paulus krijgt genoeg van dit geroep en deze oorwurm. De boze geest wordt uitgedreven. De vrouw wordt gered van dat ene zinnetje dat iedereen gek maakte en haarzelf ook. Dat zinnetje zat haar net zo achterna als het Paulus achterna zat. Eindelijk wordt ze bevrijd, behouden. Niet meer gevangen in morgen, maar bevrijd in vandaag. Een einde aan haar uitgebuite bestaan in de mensenhandel. (In Europa komt dat voor, nietwaar?).

Nu komen ineens álle Macedonische mannen op Paulus af. Woedend en woest zijn ze. Dit is Europa en hier gaan de zaken letterlijk voor het meisje. Je moet je aanpassen aan ónze manier van doen, je kunt hier niet zomaar binnenmarcheren en je eigen gang gaan. Natuurlijk kenen we officieel godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Onze spelregels zijn: je mag achter de voordeur geloven wat je wilt, maar je moet het bedrijfsleven en de graaicultuur met rust laten. Weg met jou, Paulus, en weg met jouw metgezellen.

Ze worden gegrepen, vernederd, uitgekleed, met stokken geslagen en in de gevangenis gegooid. Paulus’ mooie visioen is op een nachtmerrie uitgelopen. Een norse cipier sluit hen op, met de voeten in het blok. Een keurig huisvader, een dienstklopper, zo van “bevel is bevel”. Want zo gaan de dingen in Europa: we hebben hier heel wat van die dienstkloppers (gehad?). Keurige huisvaders werkten in concentratiekampen.

Als jij er nu bij geweest was, wat zou je dan tegen Paulus zeggen? “Als je nog eens wat weet…”. “Hoe krijg je het voor elkaar…”. “Dromen zijn bedrog…”. Verwijten. Ach, waren we maar in Turkije gebleven. Hier kunnen we helemáál geen kant op. Paulus, stop met dromen – of droom liever van een Macedonische man die oversteekt naar óns om óns te helpen.

Maar het gaat daarginds anders, in het allerholst van de nacht. Aardedonker, en pijn. Maar ze zingen. Ze bidden niet allen maar; ze zingen. Uit de Psalmen, het Liedboek van Israël. Laat zijn trouw de dag verblijden en zijn lied de duisternis (Psalm 42). Geen goedkope versjes in dat Liedboek. Deze liederen zijn geboren en volgehouden door de pijn heen, van het ene geslacht op het andere. Er wordt wat afgehuild en geklaagd in dat Psalmenboek. Maar het gebeurt wél onder het zingen. Tegen de verdrukking en het prikkeldraad en de slavernij in.

De poort van de hel vliegt open, het slot knapt er af. Niet door een preek of een betoog geeft Europa zich gewonnen, niet door een analyse of een redenering, en helemaal niet door vroom geleuter. Het visioen wordt werkelijkheid door een lied. Waar de mensen de hoogste prijs betalen, klinkt ineens een lied, wordt een gezang geboren (en geboorte gaat van au). God glimlacht. Moeder aarde begint te swingen op het ritme van dat lied. De bodemlagen wiegen heen en weer, zelfs de fossielen gaan bijna leven. Het fundament begint te swingen, de deuren van het gevang liggen ineens krom van het lachen, de grendels dansen er af.

En wie is daar ineens? De Macedonische man, naar wie Paulus al die tijd op zoek was. De gevangenbewaarder, de dienstklopper. Bevend van angst vraagt hij: steek over naar mij, kom mij te hulp, wat moet ik doen om gered te worden? Alles staat op zijn kop: niet de gevangenen, maar de cipier moet worden gered. Wat moet hij doen?

Helemaal niks. Het is al gedaan – en dat wordt hem verteld. Het is al gedaan door een joodse man, Jezus van Nazaret. Ze vertellen (denk ik) hoe het ook voor Jezus nacht werd. Hoe hij, vastgespijkerd aan het hout, de ene Psalm aanhaalde na de andere. Maar er kwam geen antwoord, deze éne keer kwam er geen antwoord. Het bleef doodstil en aardedonker: verlaten werd Hij van God en mensen. En Jezus zong niet meer. Zijn stem werd gesmoord in de dood. Opdat wij nooit verlaten zouden worden. Opdat wij zouden leven. Er is geen diepte meer waar Jezus, de Opgestane Heer, niet bij kan.

De cipier hoeft niets te doen, want het is al gedaan. En in het spoor van Jezus zijn Paulus en Silas niet bezorgd over hun eigen hachje, maar bezorgd om de redding van anderen. Doe uzelf niets aan, we zijn immers allemaal nog hier! Ze zingen de oude Psalmen over God die de dood er uiteindelijk onder krijgt en de leugenmachten, ook de waarzeggende, vloert. God laat zijn mensen niet los.

Zo is het in Europa begonnen, eeuwen geleden. Het was toen ook al moeilijk. Het ging bijna niet en het werkte bijna niet. Totdat gewone mensen als jij en ik zeiden: met God zit er altijd muziek in. Wij dragen het lied – en het lied draagt ons. Wij dragen de muziek – en de muziek draagt ons. Wij zegenen God – en God zegent ons. Desnoods door de diepte, de ballingschap, en Golgotha heen. Wij zingen het lied – en het lied zingt ons. Als we dat nu maar doen, en minder redeneren en analyseren. Zingend opgetild worden boven onze maximum vlieghoogte. Er zit Godzijdank meer in het leven en in jou dan je ooit had gedroomd.

Troje was alleen maar opstapplaats, vertrekpunt, springplank. En dat is niet helemaal eerlijk verdeeld. Daarom gaat mijn volgende verhaal over Paulus in Troje: daar volgt de proef op de som, dáár (en nergens anders) wordt een dode opgewekt. Intussen: denk nog eens aan Holwerd met zijn veerdam naar Ameland. Niet alleen Ameland is het beloofde land. Holwerd ook. Want ook daar zingen ze.