Hande(rs)lingen (11)

Ga meteen naar beneden (kom van dat dak af), Handelingen 10 : 20

Een Bijbelverhaal in drie bedrijven. Ik neem die indeling dus over. Of zijn het eigenlijk vier bedrijven, waarvan het laatste nog geschreven moet worden? We zullen zien.

Eerste bedrijf van dit verhaal: Cornelius. Een heidense officier, centurio, honderdhoofdman. Italiaanse cohort: niet het Gemenebest, maar Britser dan Brits (zouden wij vandaag zeggen). Geen Jood geworden, niet besneden, geen proseliet. Maar wel sympathisant, vriend. In de kerkorde van de PKN staat dat de gemeente ook tot haar gemeenschap rekent degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente. In de wandelgangen heet dat: blijkgevers. Ze geven blijk van de verbondenheid met de gemeente. De gemeente is breder dan alleen maar haar leden. Cornelius is zo’n blijkgever avant la lettre: hij is geen lid van de Joodse gemeenschap maar bidt veelvuldig tot de God van Israël en geeft veel geld aan het volk. Overdreven veel, zou je bijna vragen. Om goed te maken dat hij geen lid is geworden, maar halverwege is blijven steken? Maar God denkt niet zo in helen en halven als wij vroeger wel eens deden. De gemeente heeft geen strakke en gesloten grenzen: je bent er óf in óf uit. Elk lid is een blijkgever, maar niet elke blijkgever is lid.

Ineens staat er een engel bij centurio Cornelius. Omstreeks het negende uur, vertelt Lucas erbij. En we denken even terug aan Lucas’ eerste boek, het evangelie. Omstreeks het negende uur, na drie uren duisternis, stierf de Here Jezus (Lucas 23 : 44 v.) Het gordijn van de tempel scheurde doormidden. God hoeft niet meer apart te wonen in een heilig huisje met dichte gordijnen. Nu de Here Jezus zijn leven heeft gegeven, kunnen God en de wereld weer door één deur. Een Romeinse centurio die het bevel voert (een collega van Cornelius) zegt: werkelijk, deze mens was een rechtvaardige.

Precies op dat uur, vertelt Lucas in zijn tweede boek, komt een engel bij Cornelius. Al jouw gebeden zijn gezien door God, geteld, gewogen. Voor God hoort Cornelius er helemaal bij. En Cornelius springt bij wijze van spreken meteen in de houding (zoals een militair betaamt) en apostelt (stuurt) drie mensen op aanwijzing van de engel naar Petrus. Toch een beetje de omgekeerde wereld: de heidense hoofdman apostelt naar een van de apostelen, naar Petrus. Op het negende uur sterft de Here Jezus. Op het negende uur wordt in Handelingen 3 een verlamde mens op de been geholpen. Op het negende uur begint voor Cornelius een nieuw leven. Goed Bijbellezen is ook: een beetje tussen de regels door lezen. Zo vaak kijkt Lucas nu ook weer niet op zijn horloge, zo vaak geeft hij geen tijdsaanduiding…

En dan is het eerste bedrijf van het verhaal al voorbij. Kort en krachtig. Het gaat haast moeiteloos. Aan Cornelius hoeft God verder geen energie te verspillen. Dat wordt in het tweede bedrijf – dat gaat over Petrus – heel anders. Kijk maar mee. Ik denk even terug aan de roeping van Samuël (1 Samuël 3). Wat komt God er moeilijk doorheen bij de priester Eli. Pas bij de dérde keer dat God roept komt Eli, die natuurlijk vóór de waarheid is, ook áchter de waarheid: hé, de Here God kon wel eens aan het roepen zijn. Vier keer wordt Samuël geroepen, de vierde keer geeft hij antwoord. Nu ja, zegt de schrijver, er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door. Maar in het boek Handelingen horen we over de ene doorbraak na de andere, het ene wonder na het andere. Vreemdelingen worden gedoopt, verlamden springen rond, doden worden opgewekt, vervolgers (Saulus) worden krachtdadig bekeerd. De Heer komt er wel door, en hoe! – maar nu blijft Hij bijna steken op Petrus…

Het tweede bedrijf speelt een dag later dan het eerste. Qua uren speelt het vroeger dan het eerste. We schuiven terug van het negende uur naar het zesde, het middaguur. Ook daarbij mag je terugbladeren naar het eerste boek van Lucas, het evangelie. Rond het middaguur werd het donker in het hele land doordat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uren aan. Op dat moment zit het tempelgordijn nog keurig aan elkaar en zit God in het heilige der heiligen pot- en luchtdicht opgeborgen (tenminste, zo geloven de mensen dat). Het kan alle kanten nog op, de hele onderneming rond Jezus kan nog mislukken. Zal Jezus zijn weg in gehoorzaamheid volbrengen en voltooien? Of zal Hij alleen zichzelf redden en ons niet? Golgotha is geen spelletje, een opvoering waarvan de goede afloop al vast staat. Op het middaguur kan het nog helemaal mis gaan.

Op dat middaguur gaat Petrus naar het dak van het huis om te bidden. Onder de open hemel, ongestoord door de mensen. Op dat middaguur moet Petrus nog ontdekken wat op het negende uur allang geschied is: het tempelgordijn gescheurd, het onderscheid tussen rein en onrein opgeheven, er is geen apart en afzonderlijk volk van God meer. Hoe zal dat gaan met Petrus? God moet veel meer moeite doen om Petrus over de streep te trekken dan bij Cornelius. Bij Cornelius was God zomaar klaar. Maar bij Petrus…

Een tafereel, en drie keer de stem van God. Een klein stukje hemel op aarde, waarin alle dieren (rein en onrein) door elkaar krioelen en de mens mag slachten en eten (over megastallen heeft de hemel het trouwens niet). De leeuw en het lam zijn samen aan het klaverjassen (of kwartetten, als u klaverjassen te werelds vindt). Het onderscheid tussen onrein en rein geldt niet meer – niet bij de dieren en helemaal niet meer bij de mensen. Drie keer die stem van God: wat God rein heeft gesproken, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen. En Petrus zegt niet, zoals Cornelius: ja, tot uw orders. Petrus zegt glashard, met een beroep op de oude tradities: néé. Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is. Petrus is het negende uur vergeten en heeft bij wijze van spreken het gescheurde tempelgordijn weer netjes aan elkaar genaaid. Want zóver kan God toch niet gaan en zóver kan zijn liefde toch niet reiken?

Drie keer de stem van God. En Eli wist toen hoe laat het was en wees de jonge Samuël de weg. Petrus niet. Petrus vroeg zich verbijsterd af wat de betekenis kon zijn van het visioen dat hij had gezien. Hij zit nog steeds te prakkezeren wat God nu eigenlijk bedoeld kan hebben, want God kan natuurlijk helemaal niet bedoelen wat Petrus allang op zijn klompen kan aanvoelen. En op dat moment gaat beneden de bel – en moet de Geest tegen hem zeggen: kom van dat dak af, want Ik heb die drie mensen naar jou toe geaposteld. Na Golgotha kunnen de oude teksten mensen niet meer uitsluiten en komen alle keurige indelingen op de helling te staan.

In Handelingen 8 heeft Filippus, een van de zeven oer-diakenen, de hoveling uit Ethiopië (die wij vroeger de kamerling uit Morenland durfden te noemen) zonder omhaal van woorden gedoopt. God was in Handelingen 8 allang de grens over. Filippus wordt door de Geest weggehaald voor een nieuwe taak, zelfs in keizerstad Caesarea. Twee hoofdstukken later moet God alles uit de kast halen om Petrus naar Caesarea te krijgen – en Filippus was daar al in Handelingen 8. In Handelingen 9 staat te lezen hoe Saulus Paulus wordt. In Jeruzalem wordt de grond te heet onder zijn voeten en hij wordt naar Caesarea gebracht. God is de grens naar de keizerstad Caesarea allang over, en zijn mensen ook. Maar Petrus moet door heel veel mitsen en maren heen voordat hij ook eindelijk in Caesarea aankomt. Op de vierde dag, eigenlijk een dag te laat – want in de Bijbel geschieden de werkelijk belangrijke dingen altijd op de derde dag. Beter laat dan nooit, zullen we maar zeggen…

Derde bedrijf. Petrus in Caesarea, eindelijk. En een heleboel woordjes. Waarin Petrus nog eens extra zijn aarzelingen en problemen onder woorden brengt – alsof hij zichzelf overtuigen moet, alsof hij zichzelf toch nog rechtvaardigen moet nadat God hem over de streep heeft getrokken. Het lijkt wel een compleet doopformulier – alsof God door de doop niks kan zeggen als wij het niet van te voren met de woordjes van het doopformulier en het doopgebed helemaal hebben uitgelegd. Het lijkt het tafelgebed bij het Avondmaal wel: een heel lange aanloop met heel veel teksten, want het moet compleet – terwijl Here, zegen deze spijze, Amen ook zou kunnen. En Petrus nog steeds bezig de woordjes en de zinnen aan elkaar te rijgen alsof het niets kost – terwijl Petrus nog aan het woord was, daalde de Heilige Geest neer op iedereen… Maar dat is veel te deftig en keurig vertaald. Letterlijk staat er: de Geest viel naar beneden. Hij sprong van de trap af en kon niet meer wachten. Hij pakt Petrus en alle aanwezigen bij de lurven met een geweldige doorbraak, een herhaling van Handelingen 2. Soms duurt ook God de preek te lang. Niet meer op balbezit spelen en ter zake komen. Bijna grappig: God onderbreekt zijn eigen apostel, die moeizaam bezig is Hem uit te leggen.

Kennelijk is Petrus dan nog steeds niet over de streep. En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus. In dit geval had het toch voor de hand gelegen dat Petrus Cornelius en de zijnen zélf gedoopt had – als erkenning van Gods werk. Nu kijkt het net alsof hij zijn handen er nog steeds van af trekt, alsof hij schone handen wil houden – en dat kan bij doopwater toch niet?

Vierde bedrijf: hoe maak je het verhaal af? Want dat is vaker zo bij Lucas: je moet zelf voor het vervolg zorgen. Ik herken dit in Petrus: blijven steken bij waar God was, en nooit de grens overgaan naar waar God is en waar Hij zal zijn. God beweegt – maar wij sluiten Hem in het boek Handelingen op, alsof God nooit anders mag bewegen dan zwart op wit staat. Kennelijk zit God toch niet zo aan teksten en waarheden vast als wij. Pas op dat je niet achterloopt: het is (al) het negende uur.

Een fatsoenlijk mens. Bij het vertrek van Henk Staghouwer als minister

Het eerste politieke slachtoffer in de stikstofcrisis is gevallen. Hij is naar eigen zeggen niet de juiste persoon om leiding te geven aan de grote opgaven die er zijn op zijn departement. De Kamer verweet hem een gebrek aan visie. Hij slaagde er niet in een wenkend toekomstperspectief voor de agrarische sector op tafel te leggen, waarmee Den Haag sier zou kunnen maken tegenover de boze boeren. Staghouwer gaf daar ook geen voorrang aan. Voorrang kregen de gesprekken met de agrarische sector en andere spelers op het veld: gesprekken onder leiding van bemiddelaar Johan Remkes.

Maar eerst waren de vooraf duidelijk afgesproken stikstofdoelen onderuit gehaald. Bij de opdracht aan Remkes werd langzaam maar zeker duidelijk dat de toekomst open zou zijn. Anders hadden bemiddelingsgesprekken geen zin. Het vraaggesprek met minister van buitenlandse zaken Hoekstra moest toen nog komen. Wopke begaf zich daarmee niet alleen ongevraagd op het beleidsterrein van zijn collega’s, maar haalde ook de eenheid van het kabinet onderuit: het kabinet sprak in één keer met dubbele tong. Premier Rutte probeerde nog te sussen: Wopke had niet als bewindspersoon gesproken maar als leider van het CDA. Je moet bijna Jezuïetisch geschoold zijn om dat te snappen. Staghouwer stond onder grote druk van de Kamer om vóór Prinsjesdag met een wenkend toekomstperspectief te komen. Hij legde dat uiteraard niet op tafel; in dat geval zou hij zich buiten spel begeven bij de Remkes-ronde. Eerst afwachten wat daar uit komt en dan kijken hoe we de voor het toekomstperspectief al gereserveerde gelden daadwerkelijk kunnen gaan inzetten op een manier die het conflict te boven gaat. Maar zoveel geduld had de Kamer niet. Die wilde geen stikstof maar bloed zien. En CU-fractieleider Gert-Jan Segers ging niet vierkant voor en achter zijn minister staan. Dan rest alleen de zijdeur.

Tot overmaat van ramp kwam daar de afschaffing van de “derogatie” bij: de extra mest, die de boeren boven de bestaande Europese richtlijn mochten uitrijden. Dat moet nu binnen een paar jaren afgelopen zijn. Het geduld van Brussel raakt op. Het experiment van de pulsvisserij als uitzondering was stiekem mainstream geworden, en minister Schouten (toen minister van landbouw en visserij, en nu weer, totdat de CU een nieuwe minister heeft opgevist of uit de klei getrokken) moest tandenknarsend toegeven dat ons land zijn hand overspeeld had. En nu de derogatie? Een verloren zaak. De grondwaterkwaliteit komt in het geding, de gezondheid wordt een risico, en als het Nederlandse poldersysteem de kwestie op de lange baan schuift, hakt Brussel de knoop door. Moest Brussel vaker doen, denk ik wel eens.

Dat Staghouwer in deze slangenkuil geen vertrouwen meer had in de afloop van een Kamerdebat, was duidelijk. Maar hij was te fatsoenlijk om dat te zeggen. CU-fractievoorzitter Gert-Jan Segers heeft het al moeilijk genoeg om zijn dolgedraaide achterban in bedwang te houden. Stelletje gereformeerd-evangelische dwarsliggers die niet weten dat besturen een kwestie van geven en nemen is, ook als dat geven ongelooflijk pijnlijk is. Maar goed: Segers zit met een naderend afgedwongen partijcongres. Hij heeft voorzichtig met zijn portefeuille gewapperd: onze Giodeonsbende in de Kamerfractie heeft het al zwaar genoeg. Dat is hem weer kwalijk genomen door de oud-hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, Sjirk Kuijpers. Als je politiek persoonlijk maakt en met je portefeuille zwaait, doe je dat gauw één keer te vaak. Resultaat: kabinetscrisis en een CU als roepende in de woestijn van de oppositie. Dat zei Sjirk niet, maar ik lees dat tussen de regels door. Als zelfs Hoekstra buiten de pot mag plassen, kun je dat de CU-achterban op het punt van de asielcrisis niet kwalijk nemen. Gereformeerden hebben nu eenmaal een ingebakken (ingeschapen?) neiging om elkaar de tent uit te vechten. Dat was in de ARP ook al zo.

Staghouwer maakte het persoonlijk. “Ik zie mijzelf niet als de juiste persoon”. Daarmee trekt hij ten onrechte een boetekleed aan. Een fatsoenlijk mens. De zaak moet toch verder kunnen, nietwaar? En als het nu op mij vastligt… Had hij iets gezegd over de slangenkuil dan was hij door de oppositie doodgebeten. Dan maar af door de zijdeur, met opgeheven hoofd, als een eerlijk en integer mens. De oude regel geldt: niemand is aan het onmogelijke gehouden. Terug naar Groningen, de provincie waar ook Remkes vandaan komt. De provincie die niet voor aardbevingen zorgt maar daar wel onder lijdt.

Ik ben geen lid van een politieke partij. Maar ik heb wel een mening. Dus voor het CDA-congres hoop ik op een fluitconcert voor “onze” Wopke. Als minister van buitenlandse zaken (je moet de functies goed uit elkaar houden, immers?). En voor het CU-congres hoop ik op een staande ovatie. Voor onze Staghouwer. Ovatie, ingeleid door Segers. Er mag van mij ook bij gezongen worden. Hoe ging dat ook weer: dat ’s Heren Segers op u daal’…

Hande(rs)lingen (10)

Petrus vond een man die Eneas heette… De leerlingen stuurden twee mannen naar Petrus toe… (Handelingen 9 : 32 – 43)

Het boek Handelingen kent geen afgerond einde. Bijna midden in een zin over Paulus’ werk in Rome legt Lucas de pen neer. Zoals hij de gelijkenis van de verloren zoon ook niet afmaakt (Lucas 15): de vraag van de Vader is het laatste. Kennelijk bedoelt Lucas dat wij zélf het vervolg zijn en op die manier het verhaal afmaken. Lucas biedt dus geen kant-en-klare magnetronmaaltijd, waarbij je alleen gaatjes in het plastic moet prikken. Lekker gemakkelijk, je kunt er oud mee worden; maar leven zit er niet in. Lucas geeft een kookcursus: zo kan het ook. En daarom beter zélf aardappelen schillen en groente schoonmaken. Met alle risico dat er misschien iets aanbrandt of dat er een beetje zand in de sla verstopt blijft. Maar wel vers en spannend: zelf het verhaal afmaken. Koken met Lucas, dus. Kakelvers en vol vitaminen.

Daar heb je elkaar wel bij nodig. Lucas vertelt in paren. Een páár mensen zingen een lofzang bij Jezus’ geboorte: Maria en Zacharias. Een páár mensen zijn erbij als Jezus in de tempel wordt opgedragen: Simeon en Hanna. Maria en Marta zijn ook bekend. Soms zijn de paren symbolisch: de rijke man en de arme Lazarus, de farizeeër en de tollenaar. Ook in zijn tweede boek vertelt Lucas paarsgewijs. Petrus en Johannes, en ook een paar waar je minder vrolijk van wordt: Ananias en Saffira. En in dit hoofdstuk: Eneas en Dorkas. We zijn al niet meer in Jeruzalem. We komen al bij de zee, waar Paulus straks over gaat varen.

Lucas vertelt van Gods nieuwe begin na Pinksteren. Eneas dus, acht jaren ziek, verlamd op bed. Eneas, Jezus Christus geneest u! Sta op en breng nu zelf uw bed op orde. Hij kan weer leven, voor zichzelf gaan zorgen. Dorkas, gazelle, wordt ziek – het hijgend hert, evenals een moede hinde (Psalm 42) – en sterft. Ze staat weer op, God mag weten hoe. De weduwen staan al weer klaar met naai- en verstelwerk. Ze staan weer klaar om verzorgd te worden en aangekleed, van goede werken en goede gaven te worden voorzien. Dorkas kan zo weer aan de slag – en ook deze hinde zou er moe en moedeloos van worden, want je bent nooit klaar en er moet zoveel…

Petrus vindt Eneas, staat er letterlijk. De gemeente van Lydda vond van alles en nog wat. Keurig beleidsplan. Livestream kerkdiensten voor de zieken. Regelmatige bloemengroet. Vermelding in de nieuwsbrief en kaarten met de verjaardag. Maar: Eneas wordt niet gevonden. Niemand die hem uitdaagt om ook eens een kaart aan een ander te sturen: je hebt iets bij te dragen. Niemand die zegt: dat kan toch niet en dat zal toch niet, na Handelingen 3. Hier moet wat aan gebeuren. Petrus moet van buiten komen voordat Eneas gevonden wordt. Voor de gemeente hoort de ziekte van Eneas er kennelijk gewoon bij. Zolang hij maar stil in bed blijft liggen, is er weinig aan de hand. Wie is er nu eigenlijk verlamd in dit verhaal?

Breng nu zelf uw bed in orde. Het klinkt weinig revolutionair. Bed: dat staat voor de zorg, de afhankelijkheid. In de gemeente is vast en zeker gedankt voor zijn genezing. Maar mag Eneas ook wat zeggen over verlammende zorg, doodgeknuffeld worden, over het hoofd gezien worden? Mag Eneas helemaal zelf wat gaan zeggen over de theologie waarmee zieke mensen onder de lakens worden gehouden omdat we in het beleidsplan hebben vastgelegd dat wonderen niet meer gebeuren? Kan ook een verlamde patiënt een gezien persoon worden? Enzovoort… Het verhaal is nog niet af.

In Joppe zijn ze verder. Daar vinden ze het abnormaal dat Dorkas sterft (misschien aan een burn-out). Ze halen er hulp bij. In Joppe beginnen ze het verhaal zelf af te maken. Dit moet anders. Dit moet beter. Ze halen Petrus erbij. Maar ook van Dorkas kun je een diepvriesverhaal maken. Ze zit daar zo rustig zonder iets te zeggen achter de door de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen goedgekeurde naaimachine. Ze deed veel goeds voor anderen en gaf vaak geld aan de armen. “Haar leven was dienen”, staat er straks op de grafsteen – als je niet uitkijkt… Een voorbeeld voor anderen, denken veel mannen stiekem. Het verhaal wordt zoutloos en vetarm, de vitamine is er uit, er zit geen geur of smaak meer aan. Dorkas wordt keurig weer levend, gaat netjes weer een collecte organiseren. De weduwen staan al klaar met hun klacht dat ze niks hebben om aan te trekken. Dorkas moet weer achter de Pfaff-naaimachine. Gereanimeerd.

Het verhaal verwijst naar méér. Stefanus is gestenigd, een van de zeven, de eerste diakenen van toen. En hij komt niet terug. Jakobus, de broer van Johannes, wordt straks vermoord. Een van de twaalf. En hij komt niet terug. Dorkas wél. Maar dan moet haar opstanding toch méér zijn dan reanimatie? Het is toch zónde als alles gewoon verder gaat? Een nieuwe lap op een oud kleed… Ze zullen toch niet de collectebussen weer bij Dorkas brengen, zodat zij bij weer en wind weer langs de deuren moet… Ze zullen toch met dit nieuwe begin verder gaan, zelf opstaan, niet gereanimeerd voor het oude leven, maar opgestaan tot een nieuw leven… Ze zullen toch Dorkas uitnodigen om een cursus te geven in zelfredzaamheid, een cursus tegen de dodelijke valstrikken in het vrijwilligerswerk, een leerhuis tegen teveel hooi op je vork… Ze zullen toch Eneas uitnodigen om te vertellen hoe verlammend het is als iedereen accepteert als je ziek bent dus jij moet het ook maar accepteren, iedereen is gewend dat jij er rustig bij ligt en dat moet je dan ook vooral blijven doen, niet mondig worden, niet een patiëntenvereniging oprichten, niet bloggen over gezondheid en gezindheid…

Dat is toch een buitenkans: nieuwe talenten als Eneas en Dorkas in je gemeente. Dan kunnen er méér wonderen gaan gebeuren dan je dacht, dan gaat alles uit de diepvries, dan wordt geloven weer net zo vers als in het boek Handelingen. Het zou toch zonde zijn als je alles weer aan Dorkas zou overlaten – dan gaat ze wéér dood en komt ze niet terug. Eneas kruipt moedeloos zijn net opgemaakte bed weer in…

Samenvatting in (naai)machinetaal: weg met de Pfaff en de hele goegemeente (samen in de naam van Jezus) aan de Singer.

Hande(rs)lingen (9)

Kijk: daar is water. Wat verhindert mij om gedoopt te worden? (Handelingen 8 : 36).

In de tv-serie Game of Thrones kom je ze tegen: de unsullied. Een klasse onverschrokken en onbezoedelde krijgers met geen enkele band behalve met elkaar en met hun leider. Om onbezoedeld te blijven van wereldse verleidingen zijn ze gecastreerd. Ze kunnen in geen enkel ander beroep meer terecht. Waarschijnlijk was er aan het hof van de koningin van Ethiopië (de kandake) net zoiets aan de hand. Een klasse bestuursambtenaren die alles, ook hun mannelijkheid, hadden moeten opgeven om de koningin te mogen dienen. Absoluut loyaal, want ze konden nergens anders terecht. Was er bij Potifar, hoveling in Egypte, ook sprake van castratie? In dat geval wordt het oogje dat mevrouw Potifar op Jozef kreeg duidelijker…

De hoveling trok naar Jeruzalem om God te aanbidden. Het monotheïsme van het Jodendom had aantrekkingskracht. Hier werden de vele goden tenminste niet tegen elkaar uitgespeeld: die hele santenkraam was immers nodig om het morele en amorele gedrag van de mensen te dekken. Monotheïsme kende tenminste (officieel) een eenduidige ethiek. Maar in Jeruzalem liep de hoveling weer tegen zijn beperking op. Hij werd waarschijnlijk bij de ingang van het tempelcomplex tegengehouden. Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, moet de toegang tot de gemeenschap van de HEER worden ontzegd (Deuteronomium 23 : 1). Ze hebben misschien bij die ingang wel gezegd dat het hen ten zeerste speet, maar de oude teksten lieten geen enkele andere interpretatie toe. Want als je een keer op het hellend vlak komt, is er geen houden meer aan. En het was natuurlijk spijtig en niet persoonlijk bedoeld (alsof iemands seksuele identiteit niet persoonlijk is!). Met die hindernisbaan had hij te maken en hij haalde de overkant niet. Daarom ook de formulering van de vraag om de doop: wat verhindert mij om gedoopt te worden? Ook hier zullen vast en zeker belemmerende factoren zijn. Was hij dan alleen maar eigendom van de kandake? Geen enkel ander perspectief?

In arren moede had hij Jesaja aangeschaft en zat in deze troostprijs te lezen. Hardop, zodat hij het zelf ook hoorde. Maar het was duister. Vele interpretaties waren en zijn(!) mogelijk. Iemand die Christus heeft leren kennen kan echter Jesaja 53 niet anders dan christologisch lezen: het kwartje valt. En dat doet Filippus. Hij legt Jesaja uit. Zoals Christus aan den lijve Jesaja uitgelegd heeft. Onderweg springt een vonk over. Er komt een vraag om de doop.

De vonk is door een tekstvariant gesmoord. In de NBV 51 staat er een toevoeging tussen vierkante haken. “Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd. En de kamerling antwoordde: ik geloof dat Jezus Christus de zoon van God is“. Die toevoeging heeft zelfs een apart versnummer gekregen: 8 : 37. In de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 zijn de vierkante haken vedwenen. De toevoeging staat nu in een voetnoot. In de NBV21 is zelfs die voetnoot verwenen. Er ontbreekt alleen nog een versnummer. Na vers 36, de vraag van de Ethiopiër, volgt nu meteen in vers 38 het bericht over de doop. Vers 37 is verdwenen. Terecht: deze variant stond niet sterk.

Die toevoeging kwam in de oudheid door de kerkelijke praktijk. Dopen kon niet zomaar. Morsen met water mocht niet. Doop, dat betekende catechese en nog eens onderwijs, voorbereiding, een uitvoerige dienst met alles erop en eraan, nazorg en begeleiding. Je moest wel van ganser harte geloven! Maar wat is van ganser harte? Hoe van ganser harte is geloof van ganser harte eigenlijk? Wanneer is een mens was- en kleurecht behouden? Wanneer ga je niet met een ingebeelde hemel naar de hel? Wanneer mag je jezelf een kind van God noemen? Bekommernis en kwelling, kommer en kwel. De overspringende vonk in donkere wolken gesmoord. Het inclusieve heil voor iedereen onder voorwaarden bedolven. Het accent van het verhaal verschoven van Gods brede heil naar de smalle weg van de bevinding, als u begrijpt wat ik bedoel. Een nieuwe barrière op de hindernisbaan van het heil. Desnoods de tekst maar aangepast…

Alles staat hier op het spel. De breedte van het heil. Het leven van deze mens. Hij mag niet met nóg een weigering, een hindernis, te maken krijgen. Dus Filippus roept niet eerst een vergadering van ambtsdragers bijeen: hij is wel geroepen, maar als diaken niet bevoegd. Hij heeft preekconsent maar geen doopconsent. Nee. Zonder dralen moet de wagen stoppen en beiden dalen af in het doopwater. De ene leerling doopt de andere. Laten ouderlingen en predikanten maar letten op de punten en de komma’s. De diakenen letten op de spaties, waar de ruimte zit. Deze doop mag niet uitgesteld worden. Zelfs Filippus is na de doop niet meer nodig. Hij kan ergens anders naar toe. Hij is al in Caesarea voordat Petrus daar in hoofdstuk 10 komt. De spaties staan er al, voordat de punten en komma’s komen.

De hoveling vervolgde zijn weg met vreugde. Hij las hardop verder in Jesaja, en hij hoorde in hoofdstuk 56 zwart op wit: laat de eunuch niet zeggen: ik ben maar een dorre boom (..) Ik geef hem iets beters dan zonen en dochters: een gedenkteken en een naam in mijn tempel en binnen de muren van mijn stad. Ik geef hem een eeuwige naam, een naam die onvergankelijk is. Het zal wel loslopen met hem en met Filippus. Alleen bij Petrus ligt het veel moeilijker…

Hande(rs)lingen (8)

Intermezzo: hij werd vergezeld door… (Handelingen 20 : 4 v.)

Even fast forward. Het verhaal uit Handelingen 6 over twaalf en zeven vindt verderop in Lucas’ tweede boek nog een echo. De moeite waard om die hier ook even tot klinken te brengen.

Eerst even een verhaal uit de oecumenische wereld. Een Amerikaanse evangelist pelgrimeert naar Jeruzalem. Hij ontmoet daar een Palestijnse christen. “Ik wist helemaal niet dat hier christenen woonden”, zegt hij. “Wanneer hebben wij u met het evangelie bekeerd?”. De Palestijn glimlacht minzaam en zegt: “het is eerder omgekeerd. Wij hebben u het evangelie gebracht. Het evangelie is hier begonnen te lopen. En over bekering laat ik mij niet uit”.

Paulus krijgt bij zich progressief noemende theologen vaak het verwijt dat hij van de Joodse Jezus de Christus heeft gemaakt, die veel beter op de Griekse markt voor verlossers aansloot. Niet Petrus, maar Paulus heeft Jezus verloochend. Onwaarschijnlijk, vind ik: terwijl de ooggetuigen nog leefden, moet Paulus Jezus binnen enkele decennia compleet verbouwd hebben. Ik heb wel een groot geloof, maar niet zó groot. En als één de gemeente in Jeruzalem heeft gerespecteerd en niet met Amerikaanse platvoeten over haar heen heeft gelopen, dan is het Paulus wel. Steeds weer maakt hij in zijn brieven aan zijn gemeenten het belang van hun oudste zustergemeente duidelijk. Als die gemeente in nood komt door een hongersnood, organiseert Paulus een collecte. De opbrengst gaat hij naar Jeruzalem brengen. Geen twee blokken in de kerk van Christus, een oostblok in Jeruzalem en een westelijk blok in Klein-Azië en Griekenland.

Paulus gaat niet alleen naar Jeruzalem. Hij neemt zeven(!) afgevaardigden mee naar Jeruzalem. Niet zoveel. We komen geen afgevaardigden uit Filippi tegen, Paulus’ lievelingsgemeente. Namen uit Korinte, waar Paulus zo lang gewerkt heeft, ontbreken ook. Paulus had een heel blik vol afgevaardigden kunnen opentrekken, een massale optocht naar en intocht in Jeruzalem, een Sinterklaasmodel. Hij had een wolk van getuigen (Hebreeën 12 : 2, in de NBV21 omgedoopt tot een menigte geloofsgetuigen) mee op sleeptouw kunnen nemen om te laten zien dat zijn zendingswerk legitiem is. Een triomftocht om te showen hoezeer God zijn werk gezegend heeft en dat het zwaartepunt voortaan bij hém ligt. Als Paulus een Amerikaan was geweest, was hij donor op platvloeten geworden. Het is in de geschiedenis vaker vertoond…

Zo hoog te paard komt Paulus Jeruzalem niet binnen. Meer op een ezeltje (dat had de Jood Jezus immers ook gedaan). Hij neemt er zeven mee. Zeven mensen moeten mee naar Jeruzalem, naar de twaalf. Anders zijn het er geen zeven. Dan vormen ze los zand. Om met zijn zevenen, een oud, heilig getal, moeten ze naar de twaalven (een oud, heilig getal) toe, met hun collecte. Griekenland en Jeruzalem kunnen en mogen niet zonder elkaar, hoe groot de afstanden en de cultuurverschillen ook zijn.

Maar nu schrijft Lucas het zo op dat in die lijst van zeven twáálf namen verstopt zitten. Zeven wordt pas zeven als je er twaalf bij telt. Twaalf blijft alleen twaalf als je er zeven bij telt. De ene Heer en de ene dienst vragen om één gemeenschap. De oecumenische Paulus. Er wordt (werd?) wel onderscheid gemaakt tussen oecumenische en Bijbelgetrouwe gelovigen. Maar hoe Bijbelgetrouw is het om de oecumenische Paulus te verdonkeremanen? Vergeet niet: de afstanden en de cultuurverschillen waren enorm.

Het trieste: Paulus is loyaler geweest naar de oudste gemeente in Jeruzalem dan die gemeente naar hém toe was. Hij wordt in Jeruzalem niet met open armen ontvangen en moet zijn bona fides bewijzen. Als hij in moeilijkheden komt en gevangen wordt gezet, is er weinig sprake van steun van de oudste gemeente. Het is weer een ander verhaal en dat gaat over de grenzen van een intermezzo heen. Er valt nog zoveel te vertellen…

Hande(rs)lingen (7)

Handelingen 6 : 1 – 7

De eerste gemeente in Jeruzalem groeit maar door. Drieduizend mensen plus in hoofdstuk 2. Na de genezing van een verlamde: vijfduizend mensen er bij. In Handelingen 6: een grote groep priesters aanvaardde het geloof. Er is geen tellen meer aan. Toch begint het een beetje onpersoonlijk te klinken. Niet meer de Here Jezus volgen, maar het geloof aanvaarden. Het ruikt een beetje naar systeem, organisatie, stelsel. En het kan ook niet zonder. Maar kan het er mét? Een groter wordende gemeente heeft organisatie nodig. Hoeveel? Compleet opgetuigd? Of light?

Taal is emotie. Je wordt geboren in je dialect (Handelingen 2 : 8). Je hebt in die eerste gemeente Griekstaligen en Hebreeuws sprekenden. De Hebreeuws sprekenden zijn de eigenheimers: geboren en getogen in het heilige land. De Griekstaligen zijn de emigranten, die in de diaspora gewoond hebben maar op gevorderde leeftijd terugkeren naar het vaderland. Er kan spanning ontstaan tussen oudgedienden en nieuwkomers, nestvlieders en nestblijvers, oudste rechten en nieuwe claims. Dat knalt. En dan gaat het ook nog over verwaarloosde weduwen uit de Griekstalige groep, die nu eenmaal veel senioren en ook veel weduwen kent. Dat verdubbelt de emotie. En daar moeten ze wat mee: de apostelen die nu voor het eerst “de twaalf” heten en de gemeenteleden die nu voor het eerst “de discipelen” heten. Ze moeten iets. Maar wát?

Sprongetje: wij wisten ’t wel. Maak het jezelf niet te moeilijk: splits de zaak in twee gemeenten. Eén groep die de oude taal spreekt onder leiding van de twaalf. En een nieuwe groep Griekstaligen onder nieuwe leiding. Je maakt twee groepen mensen die elkanders taal niet spreken en elkanders gedachten niet verstaan niet gelukkig door ze onder geestelijke(?) dwang in één hok te stoppen. Veel te hoog gegrepen. Keep it simple, stupid – zegt het zo genoemde Kiss-principe. Lekker overzichtelijk: twee gemeenten die in vrede naast elkaar en langs elkaar heen leven. Maar: gelijkwaardig worden ze nooit. De Hebreeuws sprekenden hebben de oudste rechten en de twaalf, de ooggetuigen. De Griekstaligen hebben een zevenkoppige leiding en blijven tweede garnituur. Het lost niet al teveel op. Het blijft moedergemeente-stiefdochtergemeente. Ooit opgetuigde constructies als “buitengewone wijkgemeente in wording” waren te slim om goed voor ons te zijn.

Alternatief: wij wisten ’t wel. Hou één gemeente, maar met twee verschillende werkvormen, twee profielen, twee specialismen. Je hebt nu eenmaal mensen die dol zijn op het woord en mensen die resultaatgericht en daadgericht zijn. Er zijn nu eenmaal mensen die het accent leggen op horen en graag aan leerhuizen meedoen – en er is een ander soort mensen die praktischer zijn ingesteld. Eén gemeente met twee verschijningsvormen. Maar dat groeit onvermijdelijk uit elkaar. De hoorders zullen op de puntjes en de komma’s van de leer gaan letten. Wat hoort er en wat hoort er niet binnen de grenzen van de kerk, binnen het aanvaarden van het geloof? De daders zullen op praktisch dienstbetoon en solidariteit gaan letten, en zoeken de gaatjes in de door de hoorders vastgestelde grenzen op. Je kunt nu eenmaal niet aan diaconaat doen met aangetrokken handrem. Diaconaat moet juist de gaten opzoeken. Het wijsvingertje tegenover de uitgestoken hand. Maar de hoorders bepalen en bewaken de grenzen. Nieuwe ambtsdragers moesten het eerst maar eens een periode als diaken proberen. Zo ging dat vroeger. En wat betekent deze hiërarchie van woorden en waarden voor het “smoel” van de gemeente? Schizofrenie: een gespleten persoonlijkheid…

Een diaken een nog-niet-gelukte-ouderling? De Geest nam wraak. Bij het schrijven van de ontwerpkerkorde voor de latere Protestantse Kerk ontdekten we bijvoorbeeld dat de diaken in de oecumene een veel duidelijker profiel had dan de ouderling. Die was door Calvijn en vooral door zijn betweterige navolgers wel een beetje de hemel in geprezen, maar daar ook ergens blijven hangen. De dominee en de diaken: daar konden we in de oecumenische wereld mee voor de dag komen, maar de tijdelijke ouderling met een knipperlicht-ambt: aan-uit, aan-uit, vormde een vraagteken. De ouderling moest dan maar gaan zorgen voor de gemeente als gemeenschap, maar dat was (toen?) een verlegenheidsoplossing. De diaken heeft een vrij duidelijk profiel en daarvoor zijn mensen te vinden. Maar een ouderling heeft een vaag profiel: duvelstoejager van de Here God of manusje-van-alles voor de goegemeente, of – als het goed is – iets van allebei. Zijn daarvoor nog met de Geest vervulde mensen te vinden? Het is ook nog eens meer de tijd van losse nummers dan van abonnementen, ook qua werken in de kerk. Projecten zijn altijd tijdelijk. Er komt gebrek aan bestuurders, ook in de kerk.

Een beweging kan niet zonder systeem; een stroming niet zonder kanaal. Je ziet de zoektocht in het boek Handelingen. Let wel: een zoektocht, niet een eens en voor altijd geldend te aanvaarden model. Die eerste gemeente heeft het over één dienst: de dienst van het woord is ook dienst aan de tafel. En omgekeerd. En voor die laatste dienst komen er dan zeven Grieks sprekenden bij (allemaal mannen, maar Filippus blijkt later twee dochters te hebben die als profetes werken). De “twaalf” worden pas de twaalf als ze ruimte scheppen voor de “zeven”. Het is geen systeem van kerkrecht, maar een model.

Toch lijkt de dienst van het woord een beetje een primaat te krijgen. Daar zijn apostelen voor nodig. De verkondiging mag niet verwaarloosd worden. Het verbreken van de eenheid tussen getuigenis en dienst kostte Ananias en Saffira zojuist nog het leven. Hun gebrek aan echte solidariteit en mededeelzaamheid maakte de woordverkondiging ongeloofwaardig. Wat in hoofdstuk 5 nog één en ondeelbaar was, wordt nu echter gedifferentieerd. Het diaconaat wordt iets aparts, dat er bij komt. Twaalf is meer dan zeven.

Maar de Heilige Geest glimlacht en haalt een streep door het hele model. Wie wordt de eerste geloofsgetuige die het met de dood bekopen moet? Niet een van de twaalf, maar een van de zeven. Stefanus krijgt de gave van het woord en wordt gestenigd. Filippus verwijdert zich ook ver van de dienst van de Tafel en bedient op de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza de doop aan een wereldreiziger uit Afrika. Het kruipt onder de deuren door en gaat door alle zorgvuldige afbakeningen heen. En het eerste dat de priesters die het geloof aanvaarden moeten leren is dat “het geloof” niet een gesloten systeem is waarin niets veranderen mag. In het boek Handelingen gaat het om een Unvollendete. Om uitproberen. Wat je uitprobeert, kan ook mislukken. De Geest weet er wel raad mee, en anders de mensen wel.

Een grote groep priesters aanvaardde het geloof. Ineens kan alles. Zelfs de theologen bekeren zich! En het geloof begint te bewegen en te glimlachen…

Hande(rs)lingen (6)

De hele gemeente (…) werd door grote schrik bevangen (5 : 11)

Het begint met een sandwich-constructie. Ze hadden alles gemeenschappelijkDe apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Here Jezus… Niemand onder hen leed gebrek (4 : 32-34). De daden omarmen het woord. Als je daar één element uit verwijdert, wordt de hele constructie wankel. Woorden en daden versterken elkaar. De daden vertellen het verhaal nóg eens, in hun eigen taal. Als daar onwaarachtigheid in sluipt, wankelt het getuigenis. Ik begrijp dat wel. Verstandelijk. Ananias en Saffira doen zich royaler voor dan ze in werkelijkheid zijn. Ze houden iets achter, en dat vertellen ze er bij hun presentatie niet bij. Ze leuken zichzelf op. Ze proberen BG’s te worden: Bekende Gemeenteleden.

Verstandelijk kom ik mee. Gevoelsmatig vind ik het lastiger. Petrus is weer bezig. Door Satan misleid… de Heilige Geest bedrogen… God bedrogen… De Geest van de Heer trotseren… Petrus probeert een BA te worden: een Bekende Apostel. Petrus, weet je nog van die haan? Weet je nog dat Jezus tegen jou zij: achter Mij, Satan! En dan nu zó op je strepen staan: hoe meer ik apostel ben, des te meer de ander zondaar is. Hoe meer je de ander verduivelt, des te meer je zelf op een engel lijkt. Voer voor psychologen…

Maar de Here God dékt dit. Hij voltrekt het vonnis dat Petrus uitdeelt. Eerst aan Ananias, drie uren later aan Saffira. De drie uren duisternis op Golgotha zijn hier ver te zoeken. Toen de Here Jezus op aarde rondwandelde, vielen er geen doden. Aan het kruis bidt Jezus nog om vergeving voor zijn beulen, want zij weten niet wat zij doen. Komt nu de zaak veel meer op scherp te staan? Heeft de Heilige Geest ineens tanden? Als de gemeente de Heer niet vertegenwoordigt, valt de opstanding om en gaat de kracht er af. God laat dat niet toe en dat is ineens dodelijk duidelijk. Voor de eerste en de laatste keer in het boek Handelingen. In de gemeente vallen er geen doden meer. Of dénkt God er nog net zo over en leven we van zijn geduld?

Wat mij opvalt: er vallen doden in die gemeenschap juist op het gebied van de portemonnee, het vastgoed, de aandelen, het grondbezit. Daar is nog nooit een kerk om gescheurd. Daar is nog nooit iemand voor onder de kerkelijke tucht geplaatst. Het is heel vaak gegaan om de echtheid en zuiverheid in de leer. De grammatica van het geloof tot en met de puntjes op de i. Het is heel vaak gegaan over het zevende gebod (pleeg geen overspel), het huwelijk, de seksualiteit, de deugdzaamheid en de kuisheid. Verliefden en verloofden hebben er heel wat mee af geworsteld. De slaapkamergeheimen lagen zomaar smeuïg in de kerkenraad. De kerk keek driftig mee tussen de lakens. (Alleen het seksueel misbruik werd onder de tafel gehouden…).

Over het achtste gebod (steel niet) – niet van de Heer en ook niet van elkaar – ging het heel wat minder vaak. Iedereen werkt toch zo nu en dan zwart? Belastingontduiking als een soort nationale sport. Heel veel berichten over de ontvangers van uitkeringen en toeslagen. Heel weinig helderheid over belastingparadijs Nederland, over gebrek aan collectieve inkomsten, over bezuinigingen die nu juist de mensen raken die al aan de rand zitten. Ik weet ook wel dat onze samenleving heel anders is dan in de tijd van de Bijbel en dat we staat en kerk niet door elkaar moeten halen. Maar juist op het gebied van de portemonnee staat de zaak ineens op scherp. Als hele groepen Nederlanders ineens de grootste moeite krijgen om de eindjes aan elkaar te knopen vanwege de op hol geslagen prijzen en bij de oliemaatschappijen het geld tegen de plinten klotst…

Er vallen geen doden meer. Of dénkt de Here God er nog net zo over en leven we van zijn geduld? Genadig uitstel. Om recht te doen aan degenen die door het klimaat worden benadeeld, om na te denken over een eerlijker verdeling van natuurlijke hulpbronnen, over sterkste schouders en zwaarste lasten. Het is opvallend dat in dit verhaal voor het eerst het woord: gemeente (ekklesia) valt. De hele gemeente en allen die ervan hoorden, werden door grote schrik bevangen (5 : 11). Gemeente word je blijkbaar pas als het ernst is. Als je werk maakt van je geloof. Dan blijft de opstanding voor jou van kracht. Zo niet, dan…

Misschien is Petrus het meest geschrokken van allemaal (hoop ik). Van de doden. En van zichzelf…

Hande(rs)lingen (5)

Door niemand anders kunnen wij worden gered… (4 : 12)

Wat is redding? En daarbij gaat het om de aarde. Redding op aarde, onder de hemel. Het grote theologische woordenboek er dus bij, kijken bij de r van redding? Maar de theologen zijn de enigen niet met woordenboeken en definities. De antropologen zijn er ook nog: aan wat voor soorten en maten redding heeft een mens zo al behoefte? De economen zijn er ook nog: is er überhaupt een markt voor redding, of is dat een verouderd concept – of zelfs opium van het volk? En de sociologen kunnen er ook wat van: hoe zou een geredde samenleving er uit kunnen zien?

Daar zit ik dan, als bescheiden (?) blogger. Wat heb ik aan al deze expertise toe te voegen? Gewoon het Griekse Nieuwe Testament. In Handelingen 4 wordt hoofdstuk 3 uitgelegd. Daar zegt Petrus tegen een verlamde: in de naam van Jezus van Nazaret, sta op en loop. Daar rijmt 4 : 12 op: zijn naam is de enige onder de hemel die de mens redding biedt. Het rijmt op elkaar. Wat is redding? Dat verlamde mensen op kunnen staan. In de naam van Jezus, door zijn aanwezigheid en kracht.

Het is wegvertaald. Petrus heeft het volgens NBV 21 over de verlamde die gezond geworden is. Letterlijk staat er echter dat hij gered is. Als Petrus het over redding heeft, bedoelt hij geen theologisch, antropologisch, economisch of sociologisch verschijnsel. Hij bedoelt, heel concreet, onder de hemel (in de hemel: dat zal nog eens): mensen staan op, achter Jezus aan. Ze worden opgewekt uit hun verlamming. Ze worden zoals ze waren bedoeld: mens. Niet meer casus, probleemgeval, dossiernummer, patiënt. Redding van mensen: hen gewoon op de been helpen. Zoals ze op Hemelvaartsdag bij mij deden in Dieverbrug toen ik door een fout van een andere verkeersdeelnemer tegen de vlakte lag met een zware e-bike bovenop me. Als je dan weer door behulpzame handen met je geschramde ego weer recht overeind staat… Niet alleen mijn dag was gered; ik zelf ook. Er was een wonder gebeurd. Gevallen mensen staan weer overeind. Mensen die van alles tussen de oren hebben krijgen de ruimte.

Het gaat in Handelingen 4 niet over een leerhuis voor de interreligieuze dialoog. Het gaat over een gesprek tussen Joden. Joden die wél in de Here Jezus geloven en Joden die dat niet doen. Wij moeten eerst maar eens met schaamte erkennen dat de kerkgeschiedenis aan de Joden weinig aanleiding heeft gegeven om opgewekt in de Here Jezus te geloven. Traditionele teksten, de catechese der verguizing, het beklag Gods, werden klakkeloos herhaald. Joden konden nergens goed voor zijn: hun bestaan alleen al was een ontkenning van Christus’ overwinning. Je hiervan bewust worden is niet gemakkelijk. Ook een soort verlamming waaruit je op mag staan. Langzamerhand. Voorzichtig. Joden verdienen rust.

Zending, missionair zijn: die woorden zijn weer centraal geworden in de Protestantse Kerk. Ik ben er bij geweest. Eerst deed men er schamper over: zielen redden door preken op een zeepkist. Dat was natuurlijk ook om vragen weg te houden: welke eigen geloofstaal hebben wij geleerd, welk “dialect” (Handelingen 2 : 11) hebben wij zelf ons eigen gemaakt? Waarom moet ik voor mijn redding, behalve in Dieverbrug, ook en vooral bij Jezus Christus zijn? Voorlopig antwoord in mijn “dialect”: omdat ik dan zeker weet dat God ook bij mij kan. Niemand anders dan Christus is zo diep gegaan. Ik kan nooit zo diep vallen of Hij is daar al geweest, om een weg te banen. Er is een weg door de diepte die niet doodloopt op de begraafplaats of het crematorium. En daarom leef ik nogal opgewekt. Ik hoef Jezus niet krampachtig te verdedigen of aan de man te brengen. Het is juist omgekeerd. Het woord “missionair” werd binnen de PKN een gevleugeld woord. We hebben er hard aan gewerkt – en het ging tegelijkertijd vanzelf. Je praat gewoon met mensen en hebt het binnen de kortste keren over God.

Redding: verlamde mensen staan op. Uit welke verlamming mag ik opstaan? De lamlendigheid van het postmodernisme, dat mij wijs probeert te maken dat alles betrekkelijk is, dat je nergens helemaal voor mag gaan en dat de waarheid altijd in het midden ligt. Ik mag opstaan uit het idee dat inspiratie los verkrijgbaar is, los van mijn eigen rol. Hoe bezielend ben ik eigenlijk zélf bezig? Mag ik iets van God vragen wat ik zelf niet wil uitdragen? Zending is ook dat je de Here Jezus aan jezelf vertelt. Begin maar dicht bij huis. Kan spiritualiteit zonder Spirit? Is christelijk geloof alleen maar een levensbeschouwing? Levensbechouwing: brrrr…

Ik wandel dus vrolijk met God en loop (fiets?) dus niet in zeven sloten tegelijk.

Hande(rs)lingen (4)

Verlammend… (Handelingen 3)

Zijn benen zijn lam. Al vanaf de geboorte. Dat is erg. Nog erger is: ze doen nu ook alsof zijn oren lam zijn, zijn mond, zijn hersenen. Want ze praten over hem alsof hij er niet bij is. Over hem en over hem heen. Zoals je ook gemakkelijk alleen “goedemorgen” zegt tegen de duwer van de rolstoel – en degene die er in zit over het hoofd ziet.

“Had dan niet gerookt tijdens de zwangerschap”, zegt zijn vader tegen zijn moeder, en pakt weer een sigaartje. Zijn moeder wordt giftig en snauwt terug: “als jij de verloskundige eerder had gebeld, was de bevalling wél goed gegaan”. Hij zit daar bij. Meestal zeggen zijn ouders dan een hele tijd niks tegen elkaar. Hij heeft dan even rust. “Mantelzorg is ook zwaar”, denkt hij. “Pa en Ma hebben levenslang – net als ik”.

“Volgens mij is het psychisch”, zegt de wijkverpleegster tegen zijn ouders. “Zijn benen zitten tussen zijn oren, als u begrijpt wat ik bedoel. Mijn tante had het ook, tante Brechtje uit Dodewaard. Zij is in therapie gegaan en heeft net met oom Zeeger de Vierdaagse gelopen”. Zelf – maar dat is geheim – is zij een vat vol problemen, waar al vijf therapeuten de tanden op stuk gebeten hebben.

De familie komt trouw op bezoek. Hoofdschuddend. “Loop(!!) maar met gesloten ogen naar het onbekende land”, zegt tante Alie. Beetje lastig als je verlamd bent. Neef Diederik (ook uit Dodewaard) zegt: “vraag niet naar het waaróm, maar naar het waartoe“. Maar dat laatste weet neef Diederik zelf ook niet. Oom Niek probeert hem op te beuren. “Wees blij dat je tenminste je armen nog kunt gebruiken; het had veel erger kunnen zijn”.

Stop even, Evert. Wat ben je aan het doen? Mensen lezen je blog en verwachten dat je de Bijbel een beetje uitlegt en dichterbij brengt. En vandaag moet het keurig gaan over de genezing van de verlamde. Dat moet nauwkeurig onderwezen worden. Dat is natuurlijk helemaal waar en dat hoort een béétje dominee ook te doen. Maar: ik ben bang dat wat ik (her en daar wat overdreven, ik geef het graag toe) vertel, óók gebeurt. Tot op de dag van vandaag. Ondanks Handelingen 3. Ondanks wat er achter zit: Pasen (opstaan!) en Pinksteren. Ondanks Wie er achter zit: Jezus als levende Heer. Het gebeurt nog steeds, ondanks alles. Mantelzorgers krijgen te horen dat ze niet moeten klagen maar dragen en vragen om kracht. Maar zelf maakt de visite de handen niet vuil. Het gebeurt nog steeds. Vraag het maar eens aan chronisch zieken of aan mensen met een zichtbare handicap. Als je oud wordt en mistig, komt een robot je straks opvrolijken met een muziekje waarop je versleten lijf mag dansen (was laatst voor het Journaal). Dus ga ik toch nog even door met het vertellen van het verhaal op mijn manier. Om mezelf en jullie een beetje aan het schrikken te maken.

“Je gaat er niet aan dood, dat weten we”, zegt de specialist in het ziekenhuis. “Maar een geneesmiddel is er nog niet. Jouw kwaal komt ook te zelden voor om er echt onderzoek naar te doen. Had je nu maar kanker. Daar is wél belangstelling voor, betrokkenheid, geld voor onderzoek. Daar fietsen de mensen in drommen de berg voor op. Voor jou kunnen we hier verder niets doen. De huisarts neemt de medische zorg over”. De ziekenhuispastor komt nog even langs. Hij is vlot en modern en spreekt de taal van de jeugd want dat spreekt de jeugd aan. “Ik kan me niet voorstellen dat God dit gewild heeft”, zegt hij. “Denk maar zo: God vindt het ook rot voor jou dat je poten niet willen. Probeer te vechten tegen de lamlendigheid”. Bij het afscheid krijgt hij een stevige dreun op zijn schouder.

Zijn vrienden komen in het weekend wel eens langs. Niet zo vaak meer als eerst. Want ze zitten ook op voetbal, moeten hangen en chillen, en ze moeten naar de meisjes. Daar hebben ze het dan ook over met hem. Over discodansen, over voetballen, over een meter bier. Zijn moeder komt uitgerekend dan binnen om te vragen of de heren nog een glaasje cola willen. Als hij wérkelijk gaat praten over wat hij voelt, komt er straks geen mens meer. Dus hij staat (!) zijn mannetje in het gesprek en lacht mee over hun grappen en grollen. Beetje kunstmatig…

Hij wordt ouder, en zijn ouders ook. Ze zitten al jaren met hem opgescheept, aan huis gebonden. Dat is uitzichtloos en wordt alleen maar moeilijker. “Een dagverblijf”, zeggen ze. Daar leerst hij zelfstándigheid. Hij moet natuurlijk een keer op eigen benen gaan staan (o sorry jongen, dat bedoelen we natuurlijk niet letterlijk)”. De maatschappelijk werkster komt en kijkt bedenkelijk. Ze heeft het over bezuinigingen en herkeuringen. “In zijn geval ligt thuiszorg toch meer voor de hand”, is haar conclusie.

“Als we hem overdag nu eens naar de stad brengen?”, oppert zijn vader. “Dan komt hij onder de mensen en heeft hij afleiding. Bovendien kan hij in de stad zijn kostje bij elkaar scharrelen, bedelen bedoel ik”. “Waar in de stad?”, vraagt zijn moeder. “Bij de Tweede Kamer? Maar daar hebben ze de handen vol aan beleid, visie en nieuwe politiek, daar hebben ze geen tijd voor mensen. Maar ik wil hem ook niet in de winkelstraat hebben, want dan geneer ik me dood als ik een keer met mijn vriendinnen ga shoppen”.

Na veel vijven en zessen komen ze met een prachtidee: het heiligdom. Daar komen ’s middags om een uur of drie (het negende uur) nogal wat mensen om te bidden. Die zullen vast wel en kleinigheid voor hem over hebben. Bovendien is er een regel: bij het heiligdom telt het geven van giften net zo zwaar als het brengen van een offer. En het is bekend dat de meeste mensen liever een gift geven dan dat ze een offer brengen. Bij het heiligdom lopen ook heel wat naïeve pas bekeerde mensen rond, die denken dat je teksten letterlijk moet nemen. Teksten over God dienen én de Mammon, bijvoorbeeld. “Ze zullen allemaal dankbaar zijn dat wij hem daar neerzetten”, zeggen zijn ouders. “Ze kunnen de hemel ermee verdienen”.

Dat wordt het dus: het heiligdom. Zijn moeder kan eindelijk winkelen. Zijn vader gaat naar de theologische cursus voor gemeenteleden: hij vindt de narratieve theologie interessant en wil daar graag meer van weten. De verlamde man zit op een prachtplek bij het heiligdom. De Schone Poort. Daar komen veel mensen langs. Automatisch houdt hij de hand op, zonder de mensen meer aan te kijken. Want aankijken betekent contact, begroeting, een praatje. Aankijken betekent menselijkheid. Niet alleen zijn benen zijn verlamd. Zijn ogen ook. Zijn gedachten ook. Alleen maar die bedelende hand. Gisteren drukte iemand hem een papiertje in de hand: een oproep om mee te lopen in een demonstratie tegen verlammende structuren. Hij zit daar maar te zitten en hoort bij het straatmeubilair. De blik op oneindig en het verstand op nul. Hij hoort in de verte het rumoer over Jezus. Maar zelf wordt hij er niet beter van. Jezus komt niet bij hem langs.

Op een mooie dag gaan twee mensen op naar de tempel om te bidden. Twee ménsen, geen voorbijgangers. Dat weet onze verlamde nog niet. Alleen die uitgestoken bedelhand. Maar ineens wordt het patroon doorbroken. Deze twee staan stil. Ze kijken hem aan. Er ontstaat oogcontact. Zoals in jaren niemand naar hem gekeken heeft: ze kijken hem aan. “Sla je ogen op”, zeggen ze. En hij denkt dat het een extra grote gift wordt. Niet meer koper of nikkel, maar goud of zilver. Zo vastgeroest is hij dat hij niets anders meer verwacht, kan verwachten. Alleen maar een aalmoes, maar dan een beetje groter. Zo hebben de mensen hem laten vergroeien.

Twee mensen. Petrus en Johannes. Geen voorbijgangers, maar voorgangers. Ze komen bij Pasen vandaan en bij Pinsteren. Ze hebben geen goud of zilver. Erg is dat niet. Want ze hebben Iemand bij zich. De Dritte im Bunde, zoals de oosterburen zeggen. Ze noemen zijn naam, alsof Hij er zelf bij is (en dat is op de een of andere manier ook zo). En het wordt ineens een Paasverhaal. “Sta op en loop”, zegt Petrus. En hij grijpt de verlamde bij de rechterhand om hem overeind te helpen – nee, om hem op te wekken, staat er. Precies dezelfde woorden als in het Paasverhaal. De verlamde wordt opgewekt uit het medelijden van anderen. Opgewekt uit het levend begraven zijn in de woorden en gedachten van anderen over hem, opgewekt uit het doen en laten van anderen met hem. Hij staat op eigen benen. Hij is gemachtigd, gered.

En hij springt me daar toch een gat in de lucht..! Heel het volk zegt: hé, daar heb je dat geval, dat bedelgeval, dat jaren bij de poort zat. Zo kennen we hem. Alsof hij bij het straatmeubilair hoort. Maar nu ineens: een huppelend mens. Iemand is bij het heiligdom, waar mensen komen om te bidden, eindelijk compleet méns geworden. Hoe zelden komt dat onder ons voor. Dat hoort niet zo. Dat doorbreekt de regels. Er ontstaat opschudding, er komt een commissie van onderzoek – want die twee mensen, die drie mensen, zijn eigenlijk stoorzenders. We hadden immers een beetje afgesproken dat wonderen niet meer gebeuren en dat mensen niet meer opstaan om mens te worden. Ze hebben die verlamde veertig jaren laten zitten. Omdat ze niet durfden. Omdat chronisch ziek zijn eng is. Omdat ze niet wisten wat ze zeiden moesten. Omdat ze bang waren…

Goud en zilver hebben we zat. Misschien wel méér dan goed voor ons is. Wonderen hebben we niet meer. We kunnen ook zoveel meer dan toen: medisch, technisch. Maar ik heb geen wonderen voor u op zak. Het ziekenhuis afschaffen, COVID de wereld uit, de ambulance met pensioen, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde – dat zál allemaal nog eens. Maar Pasen hebben we, en Pinksteren.

Het is het laatste teken bij het heiligdom in het boek Handelingen. Want voortaan zijn de mensen zélf een levend teken. Ze zien misschien geen wonderen, maar ze zijn wonderen. En meer heb ik niet voor u. Alleen maar een Verhaal. Alleen maar (?)…

(Dit verhaal heb ik vorige week zondag verteld in de viering op Nieuw Hydepark: een vakantieweek met 39 gasten en 31 vrijwilligers).

Hande(rs)lingen (3)

2: 8. In het eigen dialect, waarin wij geboren zijn…

Heit – mijn schoonvader – was een Fries in wie geen bedrog was. Zoals hij voor Mem gezorgd heeft toen zij dement werd: het was een voorbeeld van trouw in goede én in kwade dagen. Ze spraken thuis Fries. Zo heb ik die taal ook leren verstaan en waarderen. Maar Heit geloofde niet in het Fries. Hij geloofde in het Nederlands. In de oude kerktaal die hij ooit geleerd had op de catechisatie en in de mannenvereniging. En als hij over het geloof begon, herkenden wij hem niet meer. Hij begon archaïsch hoog-Nederlands tegen ons te preken, en daar mocht je niet van afwijken, ter linker- of ter rechterzijde. Want zo had hij dat geleerd. Alsof zijn geloof iets aparts was dat niet bij zijn Friese identiteit hoorde. Wij vonden dat als kinderen kunstmatig en prekerig, alsof hij niet in zijn geloof woonde maar er in ging logeren. Het kon bij hem niet gewoon: praten over God. En wij raakten immuun. Hij bereikte ons niet meer, of wij luisterden niet meer… Wij waren het eigenlijk zat, en Mem ook. Op hun graf hebben wij het toch maar in gewoon onvervalst Fries gezet:  ik wit wêr’t jo hûs stiet. Ik kom wol teplak (Psalm 23).

Handelingen. Op een gegeven(!) moment hoorden de mensen over God spreken – niet in het klassieke Hebreeuws, of in het modernere Aramees, of in het Grieks (het steenkolenengels van die dagen), maar in hun eigen dialect. Zó staat het er, onomwonden. En zelfs vertalers schrikken terug voor dit woord: dialect. De taal die je thuis sprak, of met vrienden en vriendinnen op het schoolplein, of met oude bekenden als je in je oude geboorteplaats terugkomt. God spreekt na dat gegeven(!) moment ook Gronings, Fries of Zeeuws. Er is geen aparte, heilige kerktaal meer. Het potjeslatijn heeft zijn tijd gehad.

Ik kom uit de gereformeerde wereld. Daar gold de regel: als je het nu maar eens was over de woorden, de leer, de drie Formulieren van Eenheid vasthield en ondertekende, dan zou je nooit narigheid hebben in de kerk. Eén zijn betekende: het ééns zijn. Daarmee hield je de kerk waar en zuiver. Het kwam op de leer aan, op de woorden die je gebruikte. Als je die nu maar kende, leerde en repeteerde, was het in orde. Het lag heel gevoelig als je van die taal afweek. Gereformeerden waren heel talig, heel goed in de grammatica van het geloof. Zo zou je, dachten ze, de vrijzinnigheid buiten de deur houden. Wat dat betreft zijn de gereformeerden van een koude kermis thuisgekomen (áls ze daar al naar toe mochten…).

Gereformeerden leerden dus slecht om het in hun eigen woorden te zeggen. Om Gods verhaal in hun eigen verhalen in te brengen, zodat ze voortaan één geïntegreerd geheel vormen. Gods grote daden horen en onder woorden brengen in je eigen dialect. Hoezo: er lag toch een andere taal kant en klaar, waarin je met God en met elkaar communiceerde. Maar toen die kerktaal begon te kraken vanwege het verlangen naar het eigene, authentieke, stonden gereformeerden ineens met lege handen en met de mond vol tanden. Want in het Twents over God spreken – dat kón toch niet? Om maar te zwijgen van in het Fries bidden… Mocht je dingen wel anders zeggen, of was het risico te groot dat je daarmee ook andere dingen ging zeggen?

Evangelische gelovigen zijn daar beter in: God bij het gewone leven betrekken. Maar het lijkt alsof ze er een slecht geweten bij hebben. Want als ze een keer beginnen te bidden, is er geen houden meer aan: tientallen keren gebruiken ze de aanroepingsterm “Heer”. Stel je voor dat in de hemel een belletje klinkt zodra op aarde dat woord “Heer” uitgesproken wordt, dan worden ze daarboven bij evangelische gebeden straks nog compleet lawaaidoof. Eén keer “Heer” is toch ook voldoende? Maar nee: het moet tientallen keren, alsof het betrekken van de Here God bij ons gewone leven toch op de een of andere manier in heiligheid en eerbied gecompenseerd moet worden.

Het heil wordt met Pinksteren op de een of andere manier gedemocratiseerd. Je hoeft er niet meer voor te verhuizen naar een bepaalde groep of een aparte cultuur. God komt van achter het tempelgordijn, de gevestigde liturgie en de formuliergebeden vandaan. Ik hoef mij voor mijn liturgische platvoeten niet meer te schamen. Ik mag Hem met de tekst dienen zonder me in gewijd textiel te (ver)hullen. Op zondag mag je maandags over God praten. Zodat het kwartje valt. Zodat het voor ons waar wordt en het voortaan ook over ons gaat.

Leven is meer dan etiquette, goede manieren en hoe hoort het eigenlijk. Natuurlijk zijn goede manieren belangrijk. Je moet geen olifant worden die zijn eigen porseleinkast bij zich heeft. Een dominee die in poloshirt met zijn hand in de broekzak een kind staat te dopen – ik heb dat in Grand Rapids een keer gezien – kán ergens niet. Goede manieren zijn nodig om het met elkaar een beetje netjes en ordelijk te houden. Maar goede manieren zijn nog geen leven. Je hebt dan een lege doos. Nog geen Geest. Het leven wordt zelf een maniertje. Je hebt ook taalmanieren, geloofsmanieren. De grammatica van het geloof. Het kan niet zonder. Je hoeft het christelijke geloof niet elke dag helemaal opnieuw uit te vinden. Natuurlijk kun je discussiëren of we op zondag voortaan de Bijbel of de Koran gaan lezen. Alles moet toch kunnen en bespreekbaar zijn? Je krijgt er mij alleen mijn bed niet voor uit. Ga gerust uw gang, maar ik ben bij de Spar en ik blijf bij de Spar. Maar grammatica is nog geen taal. De d en de dt zijn belangrijk, maar daarmee wóón je nog niet in een taal, lééf je nog niet in een taal. Pinksteren is ergens een uitnodiging, zelfs een machtiging, om het voortaan in je eigen taal en in je eigen woorden te zeggen: wie is God voor jou en wie ben jij voor God? En vertel het eerst maar eens in gewone woorden aan jezelf voordat je er anderen mee “lastig valt”. Als het niet dicht bij huis begint, begint het aan de overkant van het kanaal ook niet.

Dat is Pinksteren. Gemakkelijker kan ik het niet maken. Maar geloven wordt er wél leuker van.

Volgende week sla ik even over. Ik hoop dan op “vakantie” te zijn op Nieuw Hydepark, als weekpastor voor een groep vakantiegasten en vrijwilligers. Dat is altijd weer een avontuur: als onbekenden beginnen en als hechte gemeenschap eindigen. Op hoop van Zegen.