(Het boek van der namen, Exodus 1 : 1 – 7)

Over Exodus wil ik het gaan hebben. Een serie verhalen. Dit is het eerste en u heeft nu de primeur. Exodus. Het inspirerende verhaal van de uittocht. Een groep slaven wordt bevrijd uit het machtigste rijk van de oude wereld: Egypte. De allerhoogste macht, God, gaat het opnemen voor de machtelozen. Het onrecht van de sterkste zal niet meer gelden.

Dit uittochtverhaal heeft velen geïnspireerd die uit naam van de vrijheid opstonden tegen onderdrukking. Ze waagden zich op een lange reis door de woestijn op zoek naar het beloofde land. Met het Exodusverhaal gingen de Pilgrim Fathers op weg naar een nieuwe wereld in Amerika. Met het uittochtverhaal kwamen de Afro-Amerikanen in die nieuwe wereld in opstand tegen discriminatie en slavernij. Met het Exodusverhaal komen onze oecumenische vrienden overzee in opstand tegen de overmacht van westerse economische structuren. Met het verhaal van de uittocht ontstond de bevrijdingstheologie: alleen wat vrijheid geeft en toekomst opent, heeft recht van bestaan. Dáárover moet het gaan in de kerk: wat vrijheid geeft en toekomst opent. De rest is franje.

Het laat zich horen. Onderdrukking is geen onvermijdelijk noodlot waarbij je je hebt neer te leggen. Er is een andere wereld mogelijk. Vertrouw op God die zoveel fiducie had in de mensheid dat Hij zich met Israël verbond. Leg je niet zomaar neer bij het bestaande en val niet in slaap. Er moet toch een andere wereld mogelijk zijn waarin klimaatverandering het land en de aarde niet overspoelt. Er moet toch een andere wereld mogelijk zijn waarin we onszelf niet meer in en met stikstof opsluiten. Kom op, Overeem, zeg ik tegen mezelf: het verhaal is eigenlijk al klaar, je hoeft het alleen nog maar gauw op te schrijven…

Maar voordat ik het ook nog (tot overmaat van ramp..?) over de kabinetscrisis en de verkiezingscampagne kan gaan hebben, eerst wat anders. Het verhaal begint ergens anders. Het begint bij de Bijbel, altijd weer. Ook als de Bijbel iets heel anders zegt of leert dan wat wij al in ons hoofd hadden, of bedacht, of uitgevonden. Het verhaal van de Bijbel gaat aan ons verhaal vooraf, altijd weer – en het gaat er soms dwars tegen in. Mensen hoeven niet naar de kerk om te horen wat ze zelf allang hadden bedacht. Dan komt er uiteindelijk niemand meer. Mensen vertellen wat ze eigenlijk al weten, is kansloos. Mensen proberen te verkopen wat ze zelf allang in huis (menen te) hebben, is kansloos. Geen beginnen aan (en dat moet je dan ook maar niet doen).

Bij ons heet het verhaal Exodus, Grieks woord voor uitweg, uittocht. Maar het gaat eerst helemaal niet over onderdrukking en bevrijding. Het gaat eerst helemaal niet over onrecht en opstand. Het gaat eerst zelfs helemaal niet over vroedvrouwen die burgerlijk ongehoorzaam worden. Het gaat eerst over namen. Dit zijn de namen. Al dat andere komt nog wel, maar eerst: dit zijn de namen. En zo heet het boek ook in de Hebreeuwse Bijbel. In de synagoge lezen ze niet Exodus, maar Namen. De uittocht, die komt er wel. Maar pas in hoofdstuk 12. Want voordat je kunt vertellen waar een mens naar toe gaat moet je eerst weten waar een mens vandaan komt. Namen dus, mensen. Wie zijn zij, wie waren zij?

Dit zijn de namen van Israëls zonen, de gekomenen naar Egypte, mee met Jakob kwamen zij… Meteen twee namen voor dezelfde mens. Jakob – Israël. Een dubbele naam. Ook een beetje een dubbel leven. Oud en nieuw lopen door elkaar heen. Jakob. Hielenpakker vanaf zijn geboorte. Pootjehaker. Zo is hij begonnen. Maar hij kreeg tijd van leven, tijd om een ander mens te worden. In de nacht bij de beek Jabbok worstelde hij met een tegenstander. Die tegenstander gaf Jakob een nieuwe naam: Israël, Godsstrijder. Hij wordt op zijn heup getroffen, onder de gordel. Voortaan gaat hij mank. Hij kreupelt en hinkt. Want hij is getroffen op de plek waar een man sterk en zwak tegelijk is. De heup, de plek van het zaad.

Uit die heup – zo staat het er letterlijk – komen zeventig nakomelingen voort. Ook zij zijn sterk en zwak tegelijk. God moet Zich behelpen met deze mensen. Niet beter zijn zij dan Jakob zelf en Godzijdank ook niet slechter. Het kreupelt en hinkt heel wat af, het nieuwe Godsvolk. Het gaat niet vanzelf. Jakob komt niet zomaar van zijn oude leven en zijn oude naam af. Zijn nakomelingen houden iets dubbelzinnigs. Hoe zal het na hun Genesis, hun geboorte, wording, met die namen verder gaan? Die twaalf zonen uit vier verschillende vrouwen en bijvrouwen, elk met hun aardigheden en eigenaardigheden… Zeventig mensen uit de heup van Jakob-Israël, onder de gordel vandaan, oud en nieuw tegelijk, sterk en zwak tegelijk. Wat moet dat worden?

Die zeventig zullen een ander verhaal vertellen dan de andere volkeren. Dat is tenminste de bedoeling. Bij de andere volkeren zijn vaderschap en moederschap vakmanschap en meesterschap. Daar zijn kinderen verlengstuk van jezelf, bevestigingen van je kracht en vruchtbaarheid. Het potentieel uit jouw potentie, de vrucht van jouw vruchtbaarheid. Toekomst begint hier en nu. Maar bij die zeventig is vaderschap en moederschap kwetsbaar, niet vanzelfsprekend, ontvankelijk. Kinderen krijg je niet zomaar. Soms gaat in het verhaal het krijgen van kinderen helemaal niet. Kinderen zijn een nieuw begin van God. Geen slaapkamergeheim maar een groot en ondoorgrondelijk geloofsgeheim.

Kinderen: je kunt er heel sterk in zijn, maar ook heel kwetsbaar. Want wie aan je kind komt, komt aan jou. En wat aan je kind komt, komt aan jou. Het geloofsgeheim hangt van Gods trouw af en jij hebt het niet in de hand. Soms kreupel je heel wat af met dat geloofsgeheim. Soms moet je heel lang wachten. Toekomst is een Godsgeschenk. Je hebt het zelf niet in de hand. Je neemt oud en nieuw in jezelf mee, en dat doen je kinderen ook. Die zijn niet beter dan jij (en gelukkig ook niet slechter). Je neemt Genesis mee naar Exodus, en daarom heet het boek: Namen.

Dit zijn de namen: eerst terugkijken en weer leren hoe je hier gekomen bent. Ook niet zo’n mooi verhaal om over naar huis te schrijven. Zo waterdicht is de scheiding niet tussen Israël en de omliggende volkeren. Je draagt het heidendom, het ongeloof, het atheïsme ook altijd in jezelf mee. Twaalf namen uit vier vrouwen. En wie was nu de eerste en de meeste? Daarover had Jakob met Esau, zijn broer, gestreden. En als je een keer daarmee begint, is het einde ver te zoeken. Het hele conflict komt in het gezin van Jakob terug. Lea, de oudste, onbemind, krijgt kinderen. Rachel, de jongste, Jakobs lieveling, krijgt ze niet. Een wedloop met draagmoeders en huismiddeltjes voor pret in bed. De Bijbel windt er geen doekjes om. En daarachter en daarin gaat God zijn ongekende gang waarbij eersten de laatsten worden, en de laatsten de eersten. En je kunt jezelf er niet op abonneren, er is altijd weer een verrassing.

Die namen en dat geheim komen in Egypte terecht. Egypte is vanuit Kanaän gezien benedenland. Ga je naar Egypte, dan daal je af. Keer je uit Egypte terug naar Kanaän, dan stijg je op. Egypte ligt beneden Jeruzalems peil. Wat zal er overblijven? De nieuwe cultuur is boeiend en dominant. Wat zal er overblijven in de vreemdelingschap, in de ballingschap? Je bent maar met zeventig. Je hebt maar een handjevol geloof. Egypte is het land van farao, van man en macht. Egypte is het land van de vergetelheid: er kan zomaar een nieuwe farao aan de macht komen die niets meer van die begenadigde vreemdeling Jozef en zijn familie wil weten. Voordat je ’t weet raak je in de put, opgesloten in de gevangenis van die nieuwe en vreemde wereld.

Ze komen in Egypte terecht maar dat is niet het land dat God had beloofd. God had aan Abraham een groot volk beloofd en een land. Het volk is er, althans het begin ervan. Maar het land is er nog niet. Kan een volk zonder land overleven? Het Oude Testament zegt van niet of nauwelijks, het Nieuwe Testament zegt van wél. Je kunt God overal aanbidden, in geest en waarheid, zegt de Here Jezus tegen de Samaritaanse vrouw. Maar we zijn nu nog maar in het tweede boek van het Eerste Testament. Het volk zit in het verkeerde land, en dat kan beslist zo niet blijven.

Dit zijn de namen. Zeg liever: dit wáren de namen. Want die hele eerste generatie gaat de weg van alle vlees. Jozef en zijn broers, ze sterven allemaal. Zullen die verhalen ook uitsterven? Want Egypte is het land van mórgen, waar gisteren vergeten wordt – zoals de nieuwe farao de oude Jozef niet meer wil kennen. Komen we ooit nog boven op nieuw Jeruzalems peil? Blijven we onderweg? Wat zal een mens zijn: gesettled, ereburger, of pelgrim, uitgelachen om de mooie dromen? Dromen zijn bedrog, is het credo, de (on)geloofsbelijdenis, van de ereburgers. Wees de eerste ten koste van allen en alles, de eerste klap is een daalder waard, lik naar boven en trap naar beneden, zorg dat je aan de top van de piramide komt. Je kunt van de wereld een benedenland maken.

Dit zijn de namen. Geslachten gaan, geslachten zullen komen. Blijft Gods ontferming? Of gaat God ook vergeten? We zijn immers in het benedenland en dat is een krankzinnige wereld. Machthebbers die zich van God noch gebod iets aantrekken. Geen gezamenlijk belang meer of samenbinding. Zelfs het kleine en overzichtelijke Nederland lijkt onbestuurbaar te worden. Je zou iets van God willen zien, op een briefje. Een bonnetje dat het tóch nog goed komt. Een kwitantie dat het tóch nog vrede wordt.

Maar voorlopig heb je niets anders dan de namen. De verhalen van Gods trouw. De verhalen van mensen en hun dwaasheid. Wat gaat het diep. Zo diep als de Nijl. De zonen Israëls moeten de doodsrivier in. Maar de eerste dochters dienen zich al aan: de moeder van Mozes, zijn grote zus Mirjam, en zelfs de dochter van farao. De vroedvrouwen die geteld worden als bij Israël ingelijfd, en die later in de Bijbel de namen Sifra en Pua krijgen. Het gaat door de diepte heen. Er moet een vervolg komen, wil het verhaal niet doodlopen. Een klein nieuw begin wordt zichtbaar.

Maar zij die geloven, moeten geen haast hebben. Ook het Nieuwe Testament begint op dezelfde manier. Een lange lijst met namen. Het geslachtsregister, de Genesis, van Jezus Christus. Het nieuwe verhaal kan niet zonder het proeven van en soms kauwen op de oude wortels. Namen – daar begint de uittocht mee. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Op welke schouders sta je? Wat was je weg tot nu toe? Wat heb je overgehouden aan geloof en kleingeloof? Wat hebben je kinderen, je kleinkinderen (als je ze mag hebben..) overgehouden aan jou? En die namen: noem je ze nog wel eens? Die verhalen: vertel je ze nog wel eens?

Overeem, het verhaal was dus nog niet klaar. Want God vergeet niet zo gauw als wij. Al dacht je van wél. En het hele verhaal in één zin: morgen begint gisteren.

Posted in

Plaats een reactie