Hande(rs)lingen (9)

Kijk: daar is water. Wat verhindert mij om gedoopt te worden? (Handelingen 8 : 36).

In de tv-serie Game of Thrones kom je ze tegen: de unsullied. Een klasse onverschrokken en onbezoedelde krijgers met geen enkele band behalve met elkaar en met hun leider. Om onbezoedeld te blijven van wereldse verleidingen zijn ze gecastreerd. Ze kunnen in geen enkel ander beroep meer terecht. Waarschijnlijk was er aan het hof van de koningin van Ethiopië (de kandake) net zoiets aan de hand. Een klasse bestuursambtenaren die alles, ook hun mannelijkheid, hadden moeten opgeven om de koningin te mogen dienen. Absoluut loyaal, want ze konden nergens anders terecht. Was er bij Potifar, hoveling in Egypte, ook sprake van castratie? In dat geval wordt het oogje dat mevrouw Potifar op Jozef kreeg duidelijker…

De hoveling trok naar Jeruzalem om God te aanbidden. Het monotheïsme van het Jodendom had aantrekkingskracht. Hier werden de vele goden tenminste niet tegen elkaar uitgespeeld: die hele santenkraam was immers nodig om het morele en amorele gedrag van de mensen te dekken. Monotheïsme kende tenminste (officieel) een eenduidige ethiek. Maar in Jeruzalem liep de hoveling weer tegen zijn beperking op. Hij werd waarschijnlijk bij de ingang van het tempelcomplex tegengehouden. Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, moet de toegang tot de gemeenschap van de HEER worden ontzegd (Deuteronomium 23 : 1). Ze hebben misschien bij die ingang wel gezegd dat het hen ten zeerste speet, maar de oude teksten lieten geen enkele andere interpretatie toe. Want als je een keer op het hellend vlak komt, is er geen houden meer aan. En het was natuurlijk spijtig en niet persoonlijk bedoeld (alsof iemands seksuele identiteit niet persoonlijk is!). Met die hindernisbaan had hij te maken en hij haalde de overkant niet. Daarom ook de formulering van de vraag om de doop: wat verhindert mij om gedoopt te worden? Ook hier zullen vast en zeker belemmerende factoren zijn. Was hij dan alleen maar eigendom van de kandake? Geen enkel ander perspectief?

In arren moede had hij Jesaja aangeschaft en zat in deze troostprijs te lezen. Hardop, zodat hij het zelf ook hoorde. Maar het was duister. Vele interpretaties waren en zijn(!) mogelijk. Iemand die Christus heeft leren kennen kan echter Jesaja 53 niet anders dan christologisch lezen: het kwartje valt. En dat doet Filippus. Hij legt Jesaja uit. Zoals Christus aan den lijve Jesaja uitgelegd heeft. Onderweg springt een vonk over. Er komt een vraag om de doop.

De vonk is door een tekstvariant gesmoord. In de NBV 51 staat er een toevoeging tussen vierkante haken. “Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd. En de kamerling antwoordde: ik geloof dat Jezus Christus de zoon van God is“. Die toevoeging heeft zelfs een apart versnummer gekregen: 8 : 37. In de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 zijn de vierkante haken vedwenen. De toevoeging staat nu in een voetnoot. In de NBV21 is zelfs die voetnoot verwenen. Er ontbreekt alleen nog een versnummer. Na vers 36, de vraag van de Ethiopiër, volgt nu meteen in vers 38 het bericht over de doop. Vers 37 is verdwenen. Terecht: deze variant stond niet sterk.

Die toevoeging kwam in de oudheid door de kerkelijke praktijk. Dopen kon niet zomaar. Morsen met water mocht niet. Doop, dat betekende catechese en nog eens onderwijs, voorbereiding, een uitvoerige dienst met alles erop en eraan, nazorg en begeleiding. Je moest wel van ganser harte geloven! Maar wat is van ganser harte? Hoe van ganser harte is geloof van ganser harte eigenlijk? Wanneer is een mens was- en kleurecht behouden? Wanneer ga je niet met een ingebeelde hemel naar de hel? Wanneer mag je jezelf een kind van God noemen? Bekommernis en kwelling, kommer en kwel. De overspringende vonk in donkere wolken gesmoord. Het inclusieve heil voor iedereen onder voorwaarden bedolven. Het accent van het verhaal verschoven van Gods brede heil naar de smalle weg van de bevinding, als u begrijpt wat ik bedoel. Een nieuwe barrière op de hindernisbaan van het heil. Desnoods de tekst maar aangepast…

Alles staat hier op het spel. De breedte van het heil. Het leven van deze mens. Hij mag niet met nóg een weigering, een hindernis, te maken krijgen. Dus Filippus roept niet eerst een vergadering van ambtsdragers bijeen: hij is wel geroepen, maar als diaken niet bevoegd. Hij heeft preekconsent maar geen doopconsent. Nee. Zonder dralen moet de wagen stoppen en beiden dalen af in het doopwater. De ene leerling doopt de andere. Laten ouderlingen en predikanten maar letten op de punten en de komma’s. De diakenen letten op de spaties, waar de ruimte zit. Deze doop mag niet uitgesteld worden. Zelfs Filippus is na de doop niet meer nodig. Hij kan ergens anders naar toe. Hij is al in Caesarea voordat Petrus daar in hoofdstuk 10 komt. De spaties staan er al, voordat de punten en komma’s komen.

De hoveling vervolgde zijn weg met vreugde. Hij las hardop verder in Jesaja, en hij hoorde in hoofdstuk 56 zwart op wit: laat de eunuch niet zeggen: ik ben maar een dorre boom (..) Ik geef hem iets beters dan zonen en dochters: een gedenkteken en een naam in mijn tempel en binnen de muren van mijn stad. Ik geef hem een eeuwige naam, een naam die onvergankelijk is. Het zal wel loslopen met hem en met Filippus. Alleen bij Petrus ligt het veel moeilijker…

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: