Hande(rs)lingen (2)

1 : 15 – 26

In mijn studententijd mocht ik gaan preken. Een van de eerste preken die ik maakte, ging over dit verhaal. De preek viel nogal lang uit. Ik had veel woorden nodig om uit te leggen, glad te strijken. Wan toen al had ik het gevoel dat er iets niet klopte. Maar ik was toen nog degelijk Gereformeerd en alles moest eigenlijk wél kloppen. Heb je veel woorden nodig om iets glad te strijken dan klopt het meestal niet. Maar ik was toen 23 jaar en die levenservaring had ik nog niet. Nu wel. En ik ben vijftig jaar later ook wel zo ver dat ik het nu eerlijk durf te zeggen.

Dit verhaal valt tussen Hemelvaart en Pinksteren. Hoe komen wij met dit verhaal en met déze Petrus die het woord neemt ooit uit bij Pinksteren? Of kan dat helemaal niet bij deze Petrus en dit verhaal? Ik moet toch een beetje denken aan een valse start. U weet wel: daar staat een groep sportievelingen in de startblokken. Op hun plaatsen, klaar om als een speer te gaan sprinten. Alleen nog dat startschot en dan wég, als de hazen. Soms neemt er een vóór het startschot al de benen. De anderen hebben het nakijken. Die ene wordt dan afgefloten of geschorst: onsportief gedrag. En daar gáát Petrus. Hij heeft het startschot zélf al gelost. Moet je hem zien gaan. Grote stappen, gauw thuis. Slalommend langs de ene Bijbeltekst na de andere. Door de geluidsbarrière.

De eerste gemeente in Jeruzalem is aan het bidden. Wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen, had Jezus gezegd. Om die kracht zitten ze te bidden. Er komen strómen van zegen (met dat lied heb ik meer dan met dat andere, over die drúppels die op ons neervallen: dat is zo’n infuuslied). Onder het bidden door heeft Petrus de ogen al open en zit hij stiekem te tellen. Honderdtwintig personen, en dat is tien keer twáálf. Maar voor in de zaal zitten maar élf apostelen. Tien keer twaalf rijmt niet op elf. Jezus had er twaalf geroepen. Voordat het Pinksteren kan worden, voordat de Heilige Geest met zijn kracht kan komen, moet dat eerst gerepareerd worden – vindt Petrus. Linksom of rechtsom: er moeten er weer twaalf zijn. Eerst de gemeente gereorganiseerd, gerepareerd, perfect opgebouwd – en dan Pinksteren als kers op de appelmoes. De gemeente bidt nog maar Petrus heeft het al bedacht en beredeneerd. Ineens staat hij op om het gebed van de gemeente te verhoren. Daar moet je toch een beetje mee oppassen…

Petrus staat op: er moet wat. Twee keer heeft hij het over moeten. Het Schriftwoord moest in vervulling gaan. Zo wordt het raadsel van Judas opgevuld, het gat overgeplakt. Er moet een van de mannen (..) samen met ons (elven) getuige worden van Jezus’ opstanding. Je hebt van die mensen (u kent ze misschien ook wel) van wie er altijd iets moet. Ze kunnen niet wachten, gelovig wachten, geduldig afwachten, ook in de kerk. Ze kunnen niet stil zitten, ze zitten je altijd achter de broekspijpen als de persoonlijke jachthonden van onze lieve Heer. Altijd met Bijbelteksten… met dat opgeheven wijsvingertje… met de mond vooraan. Het is nooit goed. Een beetje dwangmatig. Eerst de gemeente perfect afstellen en compatible maken, en dan pas Pinksteren.

De Here Jezus had het ook over moeten. Die teksten over het lijden en sterven dat Hij moest ondergaan. Op de Paasavond heeft hij dat nog tegen de Emmaüsgangers gezegd: moest de messias al dat lijden niet ondergaan..? Maar bij Jezus ging dat moeten niet ten koste van anderen maar van zichzelf. Het gaat dan over de weg die God met Hem en Hij met God gaat. Tot heil van anderen, ten dienste van de wereld. Voor ons ging Hij door de dood heen. Voor ons uit stond Hij op tot een nieuw leven. Maar Petrus ontheiligt dat moeten. Hij gebruikt de woorden van Jezus en toch rijmt het niet. Jezus ging de weg voor anderen. Petrus rekent áf met anderen. Broeder Petrus en broeder Judas. Samen geroepen door Jezus. Samen zijn ze gekomen. Samen hebben ze de gelijkenis van de verloren zoon gehoord. Samen zitten ze fout. Petrus zegt drie keer dat hij Jezus niet kent. Judas laat zien dat hij Jezus wél kent, maar op de verkeerde manier en bij de verkeerde gelegenheid. Zit er wel zoveel verschil tussen het verloochenen en het verraden van Jezus? Broeder Petrus en broeder Judas: allebei hebben ze berouw. Petrus gaat naar buiten om heel hard te huilen. Judas zegt: ik heb gezondigd. Dat heb ik Petrus nog nooit horen zeggen…

Moet je Petrus horen. Boter op zijn hoofd. Een complete boterberg. Doe dus maar wat bescheiden. Ga niet in de zon staan. Maar daar staat Petrus weer midvoor. Hij moet weer zo nodig. De ene broer spreekt het laatste oordeel uit over de andere. Er blijft niets van Judas over. De gemeente protesteert niet en durft niet. Want mensen van wie er altijd iets moet geven je meestal het gevoel dat je tekort schiet. Mensen van wie er altijd iets moet doen een greep naar de macht. Ga daar maar eens tegen in. Petrus gebruikt Bijbelteksten. Psalmen. Gebeden in doodsangst. Schreeuwen om leven. Petrus heeft het over de Heilige Geest. Maar die komt pas een hoofdstuk later. Petrus maakt een valse start. Petrus doet net alsof die oude Psalmen profetieën zijn. Eeuwenlang lagen ze in de kast en sloegen ze nergens op. Maar nu gaan ze ineens in vervulling. Nu gaan ze ineens over Judas. Bij Davids ruiken die Psalmen nog naar doodsgevaar. Naar bloed, zweet en tranen. Bij Petrus zit er ineens een ander luchtje aan de Psalmen. Ze rieken ineens naar after-shave en deodorant. Keurig netjes wordt Judas met Psalmen weggewerkt en opgeruimd. Geen haan die er deze keer naar kraait…

Valse start op weg naar Pinksteren. Eerst de gemeente gekramd, gelijmd, geplamuurd en opgeschilderd. En dán de kracht van de Heilige Geest, getuigen, helen, spreken. Maar zo werkt het niet. Want de ene broer is niet de hoeder van de andere. De ene broer denkt: hoe donkerder de ander afgeschilderd, des te helderder ik zelf. De ene broer preekt over de andere. Klaar is Kees. De ene broer huilt niet over de andere. Er staat maar één huilbui van Petrus in de Bijbel. Een te weinig. Ik hoop dat het laatste oordeel barmhartiger is. Want het is niet aan ons mensen. En het gaat ook niet eindeloos door. Het laatste oordeel is in de doorboorde handen van Hem die om ons moest lijden, sterven en opstaan, en dat ook volbracht heeft. God vergeeft, zegt een lied. De eiser pleit voor ons. De rechter lijdt voor ons. Het vonnis luidt: het leven (Gezang 478, Liedboek 1973).

Valse start: het lukt niet. Ze stellen er twee voor. En God “moet” door het lot de goede aanwijzen. Maar eigenlijk weten ze al wie de goede is. Kijk maar naar de namen. Jozef Barsabbas Justus. Was hij een Duitser geweest, had er een “von” voor zijn naam gestaan. Adel. Josef von Barsabbas zu Justus. Beslist geen Judas. Met hem kan de gemeente voor de dag komen. En die ander: Matthias. Een enkele naam en geen titel. Kansloos. Maar hij wordt het. Matthias. Als een klein hemels streepje door de (be)rekening van Petrus. En van geen van beiden wordt verder iets vernomen. De twaalfde apostel wordt de volstrekte outsider en tegenstander Paulus. Een wedergeboren Judas..? Een Judas, terug van weggeweest: zijn leven lang spijt en berouw omdat hij de gemeente van Christus had vervolgd…

In Handelingen 2 komt Petrus opnieuw aan het woord. En dan zegt hij met een beroep op de profeet Joël: dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered. Heel andere taal. De wonden niet geheeld (kan dat ooit?), de lege plekken niet gevuld (zal dat ooit?), de gemeente niet tiptop in orde, in de maat marcherend, maar kikkers in een kruiwagen, het zooitje van onze lieve Heer en het is zijn zooitje, je hebt er af te blijven. Pinksteren. Niet georganiseerd. Het overkwam de mensen.

Ik ben volgend jaar vijftig jaar predikant. Beetje terugkijken. Juist Gereformeerden waren van die mannetjesputters. Hervormden waren daar beducht voor, die liepen wat langzamer. De Gereformeerden waren op hun hoede voor Judas. Hard lopen alsof de duvel hen op de hielen zat. De Hervormden waren op hun hoede voor Petrus. Op hun hoede voor mensen in de startblokken, altijd met de kont omhoog en klaar om weg te sprinten. Er is heel veel gepreekt en gewaarschuwd tegen Judas. Er is heel weinig gepreekt tegen Petrus.

Ik denk en hoop dat ik vijftig jaar na die eerste preek toch wat wijzer geworden ben…

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: