Opwaartse en zijwaartse druk: op weg naar Koningen (13).

Ik schreef al eerder over de “opwaartse druk” die met een tempel meekomt. Tempel vraagt om nóg meer tempel, heilig vraagt om nóg meer heilig, afstand vraagt om nóg meer afstand. Totdat God zo ongeveer in de tempel achter de schermen opgesloten zit en niet meer voor gewone mensen bereikbaar is.

We hebben zoiets beleefd bij de bouw van de kapel in het Dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Utrecht. Daarbij zijn kosten noch moeite gespaard: het moest iets moois worden, met gebrandschilderde ramen en zelfs een met klein orgel. Kortom: het hart van het gebouw. Geld kan maar één keer uitgegeven worden en op het personeel werd bezuinigd. Maar de kapel had voorrang. Een groep liturgische liefhebbers onder het personeel mocht meedenken over de inrichting van de kapel. Speciale stoelen, een lessenaar, een Paaskaars, een liturgische tafel (een doopvont stond er gelukkig niet in). Geen stoel mocht worden verzet, geen lessenaar verschoven. De kapel werd steeds meer een kapel en het morgengebed werd hoogliturgisch. Er kwamen maar enkele bezoekers en die maakten de dienst uit. Bij mijn komst in 2003 kreeg ik het aandachtsveld “kapel” toebedeeld. Maar bij mensen werkt het zo: wat in een paar jaren is scheefgegroeid tot een elitair gebeuren kost bijna een decennium om te normaliseren. Hoe sakraler de kapel werd, des te geseculariseerder werd het gewone werk dat er om heen plaatsvond.

Een 1 aprilgrap haalde de kramp er uit. In goed overleg met Haaije Feenstra, de algemeen directeur, liet ik begin maart een bericht op Intranet plaatsen dat de kapel “begin volgende maand” gesloten zou worden en de ruimte bij het aangrenzende personeelsrestaurant getrokken zou worden, want dat was te klein en te druk. Dat hebben we geweten, vooral ik als het voor de kapel verantwoordelijke directielid. Mijn beker en mijn mailbox vloeiden over: wat ons bezielde, hoe wij op zulke belachelijke ideeën kwamen, we kunnen ook wel in ploegen eten… De Ondernemingsraad meldde dat hij instemmingsrecht eiste, het Managementteam vond dat de directie haar plan moest heroverwegen, de teamleiders eisten namens de medewerkers inspraak, en in mijn werkkamer zaten klagende collega’s aan de ronde tafel. Toen zelfs het moderamen van de synode de kwestie met de directie wenste te bespreken, hebben Haaije en ik de stekker er uit getrokken met een nieuw bericht: geweldig, al die betrokkenheid en inzet bij en voor de kapel, maar kijk nog eens goed naar de datum die in het eerste bericht was aangegeven… Er was ineens weer een gevoel van “eigenaarschap” rond de kapel ontstaan. Het bezoek nam toe, de vaste liturgie werd losgelaten, opwekkingsliederen mochten nu ook, er werden vieringen georganiseerd bij het afscheid van medewerkers (alleen op hun eigen verzoek, natuurlijk) en binnen- en buitenlandse bezoekers werden altijd even meegenomen naar de kapel. En doopvonten stonden er genoeg in de vele Utrechtse kerken.

Opwaartse druk. Daarnaast is in het Koningenboek ook sprake van zijwaartse druk. Deze treedt op als de innerlijke spanning in een beweging of partij (of kerk) te groot wordt om die te overbruggen. Het conflict wordt onvermijdelijk en onoplosbaar en eindigt in een breuk of scheuring. Voor reparatie- of toenaderingspogingen is het dan te laat. Beide partijen of bewegingen gaan aan de gang met het ontwikkelen van en eigen identiteit. Vaak is dat een negatieve identiteit: wij zijn anders dan de anderen. Schoolvoorbeeld is de farizeeër uit de gelijkenis van Jezus. Hij heeft zich van de anderen losgemaakt en voelt zich boven hen verheven (Lucas 18 : 9 – 14). Hij dankt God zelfs dat hij anders is dan de anderen, onder wie “die tollenaar”. De verrassende uitkomst van de gelijkenis is dat juist “die tollenaar” niet maar begenadigd, maar – en dat is méér – gerechtvaardigd naar huis terug gaat. Niet: “ik haal mijn hand over mijn hart voor deze éne keer” maar “jij bent (als) nieuw”.

Die zijwaartse druk wordt nog sterker als er godsdienstige motieven in het spel zijn. Als de spanning in een kerkgemeenschap te groot wordt en er een breuk of scheuring plaatsvindt, is de eerste vraag die naar schuld en continuïteit. Wie is schuldig aan de breuk en is voor zichzelf aan een nieuwe kerk begonnen, of: wie heeft de gezamenlijke basis veranderd en dissidenten en minderheden het leven onmogelijk gemaakt? Deze vraag wordt des te emotioneler bij de kwestie wie de echte voortzetting van de oude kerkgemeenschap van vóór de scheuring is, en wie er dus recht op de kerkelijke bezittingen kan laten gelden. Als de stofwolken van de – onvermijdelijke – rechtszaken zijn opgetrokken, begint de in het ongelijk gestelde partij meteen met het collecteren voor een eigen kerk, pastorie, theologische opleiding, jeugdwerk, zendingswerk en zo mogelijk een eigen predikant. Beide partijen gaan werken aan een negatieve identiteit (niet zijn zoals de ander) en toenadering is niet te verenigen met “de weg die God met ons gegaan is”. In de “doorgaande reformatie” na de Vrijmaking in 1944 werd de vrijmaking zelfs tot in de hemel gesitueerd en gelegitimeerd: het vrijmakend en kerk vergaderend werk van Christus was in haar tot uitdrukking gekomen. En tegen deze “hemel” valt niet te praten. In dit geval hebben we te maken met een combinatie van opwaartse en zijwaartse druk.

Terug naar Koningen. Aan het hof van Salomo was alles van goud; zilver was in Jeruzalem even gewoon als steen (1 Koningen 11 : 21, 27). Die rijkdom had Salomo naar Jeruzalem toe getrokken door de andere stammen aan herendiensten en heffingen te onderwerpen. Er worden in de aanloop naar de scheuring van 1 Koningen 12 al haarscheurtjes zichtbaar. De scheuring van het rijk had (ook) een sociaaleconomische reden: Juda’s leidende kringen wensen de ten koste van de andere stammen verworven voorrechten niet op te geven. De scheefgegroeide situatie is vanzelfsprekend en dient te worden voortgezet. Deze “eenheid” is niet meer houdbaar en God gebruikt de scheuring als straf voor de zonde van Salomo.

Jerobeam staat met lege handen en moet met niets beginnen. Jeruzalem is het financieel-economische centrum en het godsdienstige middelpunt. Voor Jerobeam zit er niets anders op dan maar bij het begin te beginnen en zijn hoofdstad Sichem te versterken. Datzelfde doet hij met Penuël in het Overjordaanse. Daar had David op zijn vlucht voor Absalom heel wat steun gevonden. Jerobeam vestigt daarom ook in het Overjordaanse een machtscentrum. Als God zijn koningschap zal bestendigen, moet Jerobeam er – letterlijk in arren moede – het beste ervan zien te maken. Een sterk centraal gezag is niet meer mogelijk. Israël heeft voortaan een broertje dood aan de stadhouders en districten waarmee Jeruzalem het land heeft bestuurd.

Twee koningshuizen, een gescheurd volk – maar één tempeldienst in Jeruzalem, de stad die de HEER verkozen heeft. Zo moet het van God, zegt het Koningenboek. Het verhaal is vanuit het zuiden geschreven. Jerobeam is de wegloper, de scheurmaker, de ketter (het Griekse woord voor ketter komt van het woord scheuren). Maar is dat niet te idealistisch, te mooi om waar te wezen? Ik heb nog nooit een mooie kerkscheuring gezien waarbij de mensen zeiden: het diaconaat en de zending en de theologische opleiding blijven we sámen doen en de diensten houden we op zondag om de beurt in hetzelfde kerkje. Daarvoor is de zijwaartse druk te groot. De mentaliteit wordt juist: alles eigen en alles nieuw, want we zijn uit het oude diensthuis uitgeleid.

Ik heb zelfs in mijn – vrijgemaakte – jeugdjaren nog nooit een positief geluid over Jerobeam gehoord. Hij had bij de tempel in Jeruzalem moeten blijven en de scheur niet erger maken dan ze al was. Tegelijkertijd werd in die dagen het eigene en het aparte sterk onderstreept. Oecumene betekende verwatering, tenzij je alleen contacten had met zusterkerken die in leer en in praktijk sprekend op de eigen kerk in Nederland leken. Een spiegelbeeld-oecumene, die geen recht kan doen aan de eigen contextualiteit van beide partners. Elk verschil wordt meteen in het principiële vlak van de ware kerk getrokken. In deze buitenlandse argumenten komen wij onze eigen (oude) theologie weer tegen. Zo ontaardt de spiegelbeeld-oecumene in een stoelendans-oecumene: bij spanningen stopt de muziek en valt een van de partners af. Degene die wordt weggestemd dient het tot dan toe gezamenlijke pand in gestrekte draf te verlaten. Eén heiligdom in het Koningenboek, maar in de huidige praktijk tientallen versplinterde of gefragmenteerde heiligdomheidjes die samen nog geen deuk in een pakje boter kunnen slaan: een verdeeld getuigenis overtuigt niemand.

Is de zonde van Jerobeam dat hij aan het noorden eigen heiligdommen geeft? Maar zo lang was die ene tempel er nog niet. Er was nog geen oude en eerbiedwaardige traditie. Salomo offerde ook buiten het heiligdom, op de offerhoogte van Gibeon, de belangrijkste van het land – en daar verscheen de HEER aan hem (1 Koningen 3 : 4 – 15). Het gesprek bij de Godsverschijning gaat niet over de legitimiteit van het ene ware heiligdom maar over de wijsheid die de koning nodig heeft voor de rechtspraak. God belooft die wijsheid te zullen geven, plus rijkdom en een lang leven. Pas daarna lezen we dat Salomo in Jeruzalem naar de ark gaat en daar offers brengt (1 Koningen 3 : 15). Jerobeam doet niets anders dan wat Salomo aan het begin van zijn koningschap gedaan heeft. De tempel heeft in het noorden nog geen gezag opgebouwd. Je kunt niet tegelijkertijd tegen Israël zeggen: “naar uw tenten” en: “allemaal bij elk groot feest naar Jeruzalem”?

Volgende week blogpauze. Ik wens u/jou goede Kerstdagen en een gezegend uiteinde en nieuw begin!

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: