Op weg naar Koningen (3)

In de gereformeerde synode is er in de jaren zeventig van de vorige eeuw behoefte aan meer afstand tussen kerk en theologie. Niet elke theologische nieuwigheid hoeft te leiden tot een kerkelijke kwestie. Als schakel en buffer tussen beide partners wordt een deputaatschap voor Kerk en Theologie benoemd. Een van de eerste opdrachten die de nieuwe club krijgt is: aandacht besteden aan de kernkwestie van het Schriftgezag. Dát de Bijbel gezag heeft is helder. Maar de aard van dit gezag is onhelder en leidt tot grote verdeeldheid. Niet alleen in het binnenland. In Zuid-Afrika leidt een combinatie van Kuypers leerstuk over “soevereiniteit in eigen kring” en een ook uit de Nederlandse traditie afkomstige omgang met het Oude Testament tot de theologische rechtvaardiging van een gescheiden ontwikkeling op grond van ras, onder leiding van de blanke minderheid..Het systeem gaat de geschiedenis in onder de naam: “apartheid” (het wordt het enige Nederlandse woord dat heel de wereld kent). Ook op kerkelijk gebied wordt de apartheid toegepast. De Nederduits Gereformeerde moederkerk blijft blank, de kleurlingen en de zwarten worden ondergebracht in twee afhankelijke dochterkerken. Vanwege het geweld waarmee het apartheidsregime in Zuid-Afrika te werk gaat, komt de traditionele relatie tussen de Nederlandse kerken en de NGK onder druk te staan. Haar dochterkerken krijgen in Nederland de positie van zusterkerken. Hun theologiestudenten gaan in Nederland nader onderzoek doen (in Kampen heb ik met Alan Boesak in de collegebanken gezeten). Deze studenten gaan pijnlijke vragen stellen naar de bronnen van het apartheidsdenken. Als je met de Schrift zo verkeerd uit kunt komen, wat is dan de aard, het karakter, de kleur (zou je in dit verband bijna zeggen) van het Schriftgezag?

De Nederlandse verontwaardiging over het apartheidssysteem is voor een deel ook schijnheilig. De Zuid-Afrikaanders gebruiken bij de verdediging van hun systeem dezelfde argumenten als de Nederlanders destijds in hun verzet tegen de onafhankelijkheid van Indonesië: “ze zijn nog niet zo ver”, “er zijn nog jaren van ontwikkeling nodig”, “het is onze verantwoordelijkheid om te bepalen wanneer wij de verantwoordelijkheid overdragen”, “als het om recht gaat, moet je alleen durven te staan in het internationale systeem”. Het eigen Nederlandse koloniale verleden wordt gemakshalve vergeten bij het aan de kaak stellen van het koloniale optreden van de blanke minderheid in het verre Zuiden. In hun koppigheid komen wij onze eigen koppigheid tegen, in hun theologie onze eigen vooroordelen die we gemakshalve snel vergeten zijn na de onafhankelijkheid van Indonesië. Dat maakt het gesprek met Zuid-Afrika heel beladen en emotioneel.

In Enter gaat op een najaarsavond in 1978 de telefoon. De voorzitter van de particuliere synode deelt mij mee dat ik als een van haar afgevaardigden naar de generale synode zal gaan. Het is geen vraag maar een aanzegging. Ik bel mijn vader om raad en hij zegt kort en goed: ze weten wie ze sturen en er wordt op jou gerekend. De voorzitter van de kerkenraad zegt het iets indirecter: wij hadden wel zoiets gedacht. De kerkenraadsleden en ik zullen allemaal een tandje bij moeten zetten, maar dat is in Enter geen probleem. Ik ben nog geen dertig en kan wel een stootje hebben. In één keer komen al die kwesties die ik uit de krant en de kerkbladen ken heel dichtbij.

De synode van Delft (1979-1980) neemt een aantal geruchtnakende besluiten. Al jaren is er gestudeerd op het probleem van homofiele (zo heette dat toen) gemeenteleden. Mogen ze er nu wel of niet zijn, en hoe dan? Mogen ze in de kerkenraad en kunnen ze aan het Avondmaal? De ene na de andere studiecommissie sneuvelt in een meerderheids- en een minderheidsrapport; het steeds weer herkauwen van de Schriftgegevens levert geen nieuwe gezichtspunten meer op. Bijna komt er wéér een studiecommissie maar de synode kan het niet langer aanzien: als een deel van de gemeente jaar in, jaar uit in de wachtkamer moet doorbrengen tot er antwoord is op de vragen naar ruimte aan Tafel en in het ambt, komt de integriteit van de gemeente zélf in het geding. Het komt ons daarom niet toe om medemensen in hun geaardheid en hun beleving daarvan te veroordelen omdat het laatste woord hierover aan de Heer zelf is. Dat wordt de uitspraak van de synode. Aan de deputaten voor Kerk en Theologie wordt gevraagd om de vooronderstellingen van het Schriftgebruik bij homofilie in studie te nemen.

Boze tongen beweren dat de synode zomaar knopen doorhakt en de Bijbelse vragen op de lange baan schuift. De onrust in het buitenland bij de (orthodoxe) Gereformeerde Oecumenische Synode is voorlopig groter dan die in het binnenland. Het gaat immers om onze eigen gemeenteleden? Van hun levensgeheim moeten ze in het buitenland afblijven. De Christelijke Gereformeerde Kerken besluiten de GOS te verlaten nu de GKN lid mogen blijven. Ik verzin een nieuwe term: stoelendans-oecumene (als de muziek stopt, is er altijd een stoel aan tafel te weinig). Het is wat lastig als Apeldoorn en Lunteren (waar de synode vergadert) met elkaar communiceren via Harare, de vergaderplaats van de GOS. Aan de GKN wordt verweten dat zij teveel in de verkeerde richting voorop loopt.

Dat doet de synode vanuit het perspectief van de GOS gezien ook met het rapport God met ons over de aard van het Schriftgezag. Vanuit Nederlands perspectief gaat het meer om achterstallig onderhoud. De synode heeft haast. Het oorspronkelijke voorstel is om het rapport aan de kerkelijke vergaderingen voor te leggen en aan deputaten voor Kerk en Theologie te vragen om over de reacties een nieuw rapport aan de synode uit te brengen. De synode is minder geduldig: er is nu in de gemeenten behoefte aan het rapport, dat via een amendement de kwalificatie meekrijgt: confessioneel verantwoord. Dat roept misverstanden op. Boze tongen beweren dat de synode met voorbijgaan aan de kerkelijke vergaderingen een nieuw belijdend document de kerken heeft binnengefoefeld.

Mijn kerkelijke loopbaan krijgt er een nieuwe dimensie bij: die van “stukjesschrijver”. Ik mag in het Gereformeerd Kerkblad voor Drenthe en Overijssel de synodebesluiten in gewoon Nederlands vertalen en uitleggen. Later krijg ik er in Centraal Weekblad nog een platform bij. Het rapport God met ons begint met een uiteenzetting over het “relationeel waarheidsbegip”, een derde weg tussen objectivisme en subjectivisme door. Het roept misverstanden op. Was het – vraag ik me achteraf af – misschien beter geweest om aan te knopen bij het begrip “verbond”? De waarheid geschiedt in deze relatie? Maar na de perikelen van de Vrijmaking heeft men in de GKN genoeg van het verbond; het wereldwijde Koninkrijk van God wordt het beheersende thema. Het verbond is verbleekt. Hoe dan ook: het worden serie-artikelen. Je kunt een kerkelijke vergadering niet even in een cursiefje neerschrijven. Soms zou je het even willen…

De trend verandert even. De synode reageert niet meer op kwesties maar zet zelf discussies en gesprekken in gang. In liefde trouw zijn wordt de titel van een handreiking voor het gesprek over huwelijk en andere samenlevingsvormen. De tijden van het “pilbesluit” vande jaren zestig (anticonceptie is toegestaan, maar seksualiteit hoort alleen binnen het huwelijk) zijn nu definitief voorbij: de mannenbroeders bepalen niet meer wat de vrouwenzusters hebben te slikken. Maar mét dat de synode zelf meer het voortouw neemt, komt zij zelf ook meer ter discussie te staan. De synode wordt, geheel tegen haar bedoeling in, zélf tot kwestie.

Daar komt bij dat het relationele waarheidsbegrip al achterhaald blijkt is voordat het goed en wel in gebruik genomen is. Het operationele waarheidsbegrip is in opmars. Waarheid is wat je ervan kunt máken in politiek en samenleving. Al het andere wordt irrelevant. Waarheid is wat je bereiken moet aan verbetering van het lot van verarmde en ontrechte mensen in de wereld. Niemand minder dan Kuitert waarschuwt tegen deze politisering van het leven en van de kerk. In 1986 verschijnt zijn boek Alles is politiek maar politiek is niet alles. Hij heeft het tij tegen. Het traditionele gereformeerde KiKo-model (Kerk als Instituut, de ambtelijke vergaderingen, de zondagse preek) en Kerk als Organisme (de christelijke scholen, instellingen, bewegingen, politieke partijen) komt in een tijd van secularisatie meer en meer onder druk te staan. De kerk is zélf tot duidelijkheid in de samenleving geroepen en kan zich niet meer verschuilen achter de christelijke organisaties. Hoogtepunt (anderen spreken van een dieptepunt) in deze ontwikkeling is de synode-uitspraak van 7 maart 1984, waarin de synode de overheid “maant” om niet over te gaan tot het plaatsen van kruisraketten. Er ontstaat groot tumult. Mijn eigen kerkenraad tekent (een voorgedrukt) bezwaar aan tegen de uitspraak. De verhoudingen blijven plaatselijk goed. Persoonlijk is dat niet het geval: mijn ouders breken voorlopig met mij en worden later Nederlands Gereformeerd. Wij worden bestookt met boze brieven en telefoontjes. Het hele kruisrakettendebat komt in de lucht te hangen als Reagan namens de VS en Gorbatsjov namens de Sovjet-Unie in december 1987 met een pennenstreek alle raketten voor de middellange afstand schrappen.

“Het spreken van de kerk” keert van synode tot synode op de agenda terug. Het aantal uitspraken over samenlevingsvraagstukken is miniem. De discussies over de “infrastructuur” van dit spreken (voorwaarden, reikwijdte, gezag) kosten daarbij vergeleken onevenredig veel tijd. Wie met de inhoud niet uit de voeten kan, duikt op de formele kwesties. De GKN heeft, anders dan de hervormde synode met haar herderlijke brieven, geen traditie op dit gebied ontwikkeld. Het plaatselijke spreken van de kerk in de zondagse verkondiging van het evangelie gaat intussen gewoon door. In Enter preek ik niet zo veel “buiten de deur”. Met zes in Enter in te vullen diensten per maand zit de agenda aardig vol. Na de ramp in ons gezin wordt preken voor mij nog existentiëler dan het al was: het wordt een manier om persoonlijk, kerkelijk en theologisch te overleven. Heel spannend en diepgaand: alles is van zijn plek gegaan en geen steen is op de andere gebleven – maar het Verhaal zal worden verteld en God blijft overeind, ook al gaat dat met horten en stoten. De gemeente weet er wel raad mee. Maar wij vragen ons af of de tijd niet rijp is om na zeven jaren Enter iets meer afstand te nemen en naar een nieuwe gemeente te vertrekken.

In Haren is ds. Piet van der Wel overleden. Ik heb hem indertijd, toen Tineke in Baarn studeerde, vaak horen preken en was diep onder de indruk. Nu vraagt Haren mij om de vacature te vervullen. Ik vind dat een eer. Haren is groter dan Enter, heeft drie predikantsplaatsen, en de Groninger universiteit is dichtbij: er is wat meer kader. Als ik uit Overijssel vertrek, komt aan mijn synodelidmaatschap een einde. Maar Haren biedt voldoende nieuwe uitdagingen: hoe stel je in een gemeente met tien gereformeerde accountants een jaarrekening op? In de zomer van 1984 vetrekken wij naar Haren. Bij mijn bevestiging zegt mijn helaas te vroeg overleden collega Bert Raven: “wat mij bij jou opvalt zijn twee dingen: je onvoorstelbare vrolijkheid (ziet iedereen) én dat je die vrolijkheid voor de helsdeuren weghaalt (ziet bijna niemand)”. Raak getypeerd. We weten op dat moment nog niet dat het synodewerk weer terug zal komen en dat we meer dan achttien jaren in Haren zullen blijven.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Eén opmerking over 'Op weg naar Koningen (3)'

  1. Wat een mooie column over de geschiedenis van de synode. Leerzaam, herkenbaar. Ook toen al veel gedoe. Troostrijk. En dat laatste, dat raakte me: vrolijkheid voor de deuren van de hel weggesleept. Big hug voor jou, broeder! Nynke

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: