Op weg naar Koningen (2)

Luttelgeest-Kuinre is geen moeilijke gemeente. In de polder is iedereen import en er is dus weinig oud zeer. Behalve in Kuinre. Indertijd hebben de kerkelijke deputaten IJsselmeerpolders daar een klein en modern kerkje gebouwd. Vanuit het oude land is men in het nieuwe land kerkelijk gaan pionieren. Dochter Luttelgeest is moeder Kuinre langzaam maar zeker boven het hoofd gegroeid. Na de kerkbouw in Luttelgeest is voor het kerkje in Kuinre geen emplooi meer en het wordt aan de Rooms-Katholieken verkocht. Ik krijg op bezoek in Kuinre vaak te horen hoe diep dat is gaan zitten. In het naburige Blankenham heeft geen (gereformeerde) kerk gestaan; wel een (nu overbodig) kanon om tegen overstromingen te waarschuwen. In de hervormde kerk van Blankenham leid ik mijn eerste uitvaart: een jongen van net achttien jaar is op de terugweg uit Amsterdam verongelukt…

In de polder vindt een generatiewisseling plaats. De eerste generatie polderboeren draagt het bedrijf over aan de kinderen. Het seniorgezin moet dan naar Emmeloord vertrekken; in de kleinere polderdorpen geldt een bouwverbod. Ik meng mij voor het eerst van mijn leven in een politieke discussie; dat moet ook wel als waardevolle gemeenteleden noodgedwongen naar Emmeloord vertrekken. Mijn inbreng wordt door Dorpsbelang erg op prijs gesteld. Verder vindt in de gemeente een kruisbestuiving plaats: in de tweede generatie polderbewoners beginnen Zeeuwen en Friezen, Brabanders en Groningers met elkaar verkering te krijgen. Ik mag nogal wat trouwdiensten leiden en een tijdje daarna dienen zich ook dopelingen aan.

Op de preekstoel durf ik het achterste van mijn tong nog niet helemaal te laten zien. Ik preek het liefst over Bijbelverhalen: verhalenderwijs is God in het leven van veel mensen terecht gekomen. Met mijn seriepreken ben ik meteen in de minderheid: leesroosters zijn in opmars en daarin gaat men op zevenmijlslaarzen door het Oude Testament heen om zo gauw mogelijk weer in de evangeliën en de brieven terecht te komen. Maar juist bij die verhalen krijg je te maken met de vragen rond historiciteit: heeft de slang – en heeft de ezelin van Bileam gesproken, ja of nee? En Jona in de grote vis? Als er gestaan had dat de vis in Jona gezeten had, moest u dat ook geloven, zegt iemand (gelukkig geen gemeentelid). Een merkwaardige logica dient zich aan: als de ezelin van Bileam niet gesproken heeft, kan de Here Jezus niet waarlijk opgestaan zijn. Maar zo gaan we aan de pointe van de verhalen zelf voorbij.

In de kerk wordt het er door alle kwesties rond theologen en door de verontrusting niet gezelliger op. Andries Knevel beweert en bezweert – met meer élan dan verstand – dat het boek Daniël historisch gelezen moet worden, dus vanuit de Babylonische ballingschap en niet als verzetsverhaal uit de Makkabeeëntijd. Sommige gemeenten luisteren met Argusoren. Ik mag zelfs op Urk preken. Commentaar na de morgendienst: de preek was prima, maar het gebed was te kort. ’s Middags preek ik tien minuten en bid ik een half uur. Na dat half uur gaan de ouderlingen met krakende knieën weer zitten. Nu is er in de consistorie geen commentaar… Wel krijgen we onverwacht bezoek van Urker collega’s, die ons plompverloren meedelen: “God roept jullie naar Urk”. Ik hoor de Urker collega’s wel spreken, maar God nog niet. Mijn vrouw mag daar geen broek meer aan. Die onderneming gaat niet door. We zijn al gewaarschuwd door een Urker emeritus: “Urk is net als sigaretten roken; eerst word je misselijk, daarna raak je er aan verslaafd en tenslotte ga je er aan dood”.

De polderjaren vliegen voorbij. Ik krijg veel kerkelijke bijbanen: voorzitter van de classis, moderamenlid van de particuliere synode van Overijssel, en later voorzitter van deze vergadering. Volgens deskundige seniorpredikanten breng ik het er niet slecht van af. In de gemeente heb ik maar één bejaarde, die ik zeer regelmatig bezoek. Hij wordt er heel oud bij. Catechisaties en bezoeken: al doende leert men. Je moet bijvoorbeeld bij een kraambezoek niet vertrekken zonder de baby gezien te hebben… Er zit ook veel eenzaamheid in de polder. De mentaliteit is dat je er zélf wat van moet maken. Uit de landelijke synode komen signalen dat er een stroom van theologische kandidaten aan komt. Wij besluiten om plaats te maken en naar een grotere gemeente te vertrekken. Die kandidatenstroom blijft uit en de gemeente blijft jaren lang vacant. Dat spijt ons wel.

In het beroepingscircuit hebben we het voor het kiezen. Een gemeente in het noorden des lands belooft de verwaarloosde pastorie op te knappen: er is een budget van twee ton beschikbaar en wij krijgen als nieuwe bewoners natuurlijk inspraak bij de verbouwing. Ik durf mijn werk in een nieuwe gemeente echter niet met twee ton aan hypotheek te beginnen (de gemeente wil natuurlijk waar voor haar geld!) en adviseer: eerst verbouwen en dan pas beroepen. In het zuiden blijkt de pastorie nog bewoond te zijn door de predikant die nog maar twee weken geleden afscheid genomen heeft. Dat is ons niet verteld en wij zijn gauw klaar: eerst maar eens écht vacant worden en dan pas een beroep uitbrengen. Blijft het oosten over: Enter in Twente. Net geen Biblebelt, vlak achter Rijssen. Ondernemend volk: zompenvaart over de Regge en de Vecht, ganzen drijven naar het westen, klompen maken. Gemoedelijke Twentenaren, beetje langzaam en secundair reagerend, maar met veel gevoel voor humor. Ook nuchter: “wij zorgen wel voor de gemeente, als u op zondag twee stevige preken levert en door de week catechisatie geeft”. Er zijn acht groepen catechisanten. Ik reken even voor: preken houden en maken ruim drie dagen in de week, catechese de vierde dag, en met een vrije dag en een dag “onvoorzien” is het weekprogramma vol. Commentaar: “dat dachten wij al”. Het wordt dus Enter.

Preken, preken en nog eens preken maken. Twee per zondag. In september al “Stille nacht” op de grammofoon om de (extra) Kerstdiensten op tijd klaar te hebben. Twee diensten op eerste Kerstdag, op tweede Kerstdag een zangdienst “met korte meditatie” en ’s middags kinderkerstfeest waar volgens onze kinderen de sinaasappels je om de oren vliegen. De ouderwetse tiendaagse veldtocht. Kerkelijke functies zijn er die eerste jaren nauwelijks. Veel studeren, dus. Tijd om mijn vrijgemaakte “roots” te verkennen: welke exegetische weg hebben geleerden als Schilder, Holwerda en Van ’t Veer ons gewezen? Ik verslind de discussies over heilshistorisch tegenover exemplarisch preken. Het is met de Vrijmaking allemaal uit het gezichtsveld verdwenen, maar nog wel de moeite waard. De resultaten van de studie gaan mee naar de preekstoel. Weer seriepreken over verhalen. De gemeente komt graag en trouw naar de kerk.

Het probleem is dat met de westenwind ook de Biblebelt de gemeente binnenkomt. Die merkwaardige “dubbele boekhouding” van God: zijn beloften zijn natuurlijk waar maar ze moeten ook nog eens een keer voor mij waar worden en dat is een kwestie van afwachten. Verbondsmatig preken helpt. Als wij vertrekken, zegt een ouder gemeentelid: “sinds u hier bent, sterven de mensen gemakkelijker”. Ik antwoord: “daar ben ik blij mee. Beroep straks alsjeblieft een predikant die jullie ook leert wat gemakkelijker te léven”. Maar dat advies is niet opgevolgd… Onze buurman is zwaar op de hand. Als ons jongste dochtertje aan wiegendood overlijdt, zegt hij: “nu zul je wel anders piepen”. Wel legt hij met een andere buurman het kistje zorgvuldig in het graf. Later komt hij er op terug en zegt dat hij ongelijk heeft gekregen: ik ben niet anders gaan denken en preken dan ik deed…. Grote kwesties spelen nauwelijks in Enter. De Enternaren lopen loyaal mee in het kerkverband, zij het dan ook niet in het voorste gelid. Wel kibbelt men over de vraag of er ook een drumstel bij de jeugddienst gebruikt mag worden…

Even terugkijken. In de Gereformeerde Kerken in Nederland blijft het piepen en kraken. Een nieuw ondertekeningsformulier voor predikanten vervangt de oude formulering dat de belijdenisgeschriften in alles met Gods Woord overeenkomen en daarom bindend zijn. Deze formulering maakte het mogelijk om als kerkenraad met een simpel beroep op de Heidelberger Catechismus een bezwaarschrift in te dienen tegen een al te enthousiaste theologische hoogleraar. Het nieuwe formulier vraagt de ambtsdragers om zich trouw te houden aan het belijden van de kerk en zich bij afwijking van gevoelen zich te verstaan met de kerkelijke vergaderingen. Wie deze weg gaat, geniet ook de bescherming van het bezwaar: zo lang het gesprek gaande is, worden er geen maatregelen genomen. De praktijk blijft echter omgekeerd: hoogleraren en andere theologen zoeken eerst de uitgever op en daarna volgt een kerkelijke kwestie. De een na de ander wordt het doelwit. Beheersingsmaatregelen werken niet.

De kwesties van de slang, de zondeval, de historiciteit: de synode had duidelijker gezegd hoe het niet moest dan hoe het wél moest. De Nederlandse Hervormde Kerk was in 1967 met Klare Wijn gekomen: rekenschap over geschiedenis, geheim en gezag van de Bijbel. De bisschoppenconferentie had in 1966 een Nieuwe Katechismus gepresenteerd. Het wordt de hoogste tijd dat de gereformeerden inhoudelijk ook hun kaarten op tafel leggen. Dezelfde synode die het nieuwe ondertekeningsformulier vaststelt spreekt uit dat het van groot belang is om te proberen tot een eenparig geloofsgetuigenis te komen in een duidelijke taal en in verband met de vragen van deze tijd. De hoogleraren (Herman) Ridderbos en Berkouwer worden voor deze taak aangewezen. Ridderbos neemt het leeuwendeel van het werk voor zijn rekening. Ik ben in die tijd zijn student-assistent. Hij doet de handgeschreven versie bij mij door de brievenbus met het verzoek een gefatsoeneerde en uitgetypte versie naar Berkouwer te sturen. Op 29 januari 1974 bespreekt de synode de Proeve van een nieuw belijden. Zij tekent niet meteen voor de Proeve maar besluit het document aan de andere ambtelijke vergaderingen te sturen en de reacties te evalueren. Op 19 februari bespreekt ook de hervormde synode de Proeve. In een merkwaardig hervormd monsterverbond laten links en rechts geen spaan van de Proeve heel. Dominee Exalto (Gereformeerde Bond) spreekt ter synode van verraad van het gereformeerde belijden. Een paar dagen later maakt hij er in het Bondsblad De Waarheidsvriend slechts verloochening van het gereformeerde belijden van. Ridderbos reageert in zijn Gereformeerd Weekblad nuchter: “zo word je dan toch maar ineens van een Judas tot een Petrus gemaakt, zij het dan voorlopig een omgekeerde”. Achteraf kunnen we zeggen dat de Proeve op de hervormde synode ook voor de gereformeerden om zeep is geholpen.

Maar hoe dan wel? Of gaat de gereformeerde synode zich in arren moede beperken tot algemene beheersingsmaatregelen en mogen plaatselijke kerkenraden en predikanten het voortaan zelf uitzoeken? Daarover de volgende keer.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: