Stroomopwaarts (3) (over 75 jaar Vrijmaking)

Mahler VIII: deze keer Lorin Maazel met de Wiener Philharmoniker (ik heb nog opnamen genoeg!). Een van de dingen die overbleef van mijn studietijd en het lidmaatschap van de generale synodes is belangstelling voor kerkorde en kerkrecht. Niet dat daarmee alles geregeld kan worden. Schilder moet een keer gezegd hebben dat de kerkorde een kookboek voor kannibalen is (ik kan dat citaat niet terugvinden). Als ’t gezond verstand er niet is, helpt de kerkorde ook niet. En als mensen beweren dat ze het alleen zakelijk oneens zijn en persoonlijk niets tegen elkaar hebben, word ik heel erg achterdochtig. De sfeer is in de kerk immers net zo belangrijk als de leer, bleek in Twente en ook op andere standplaatsen.

Maar wat voor kerkorde? De GKN-kerkorde was, net als de Dordtse kerkorde, beknopt. Er stond maar één Bijbeltekst in: I Korintiërs 14 : 40: “Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren” (NBV). Meer hoefde er niet in de kerkorde: de principes stonden in de Schrift en in de belijdenisgeschriften. De kerkorde was een werkorde, een aantal regels. Een kwestie van afspraken die je als gereformeerden met elkaar maakte en een werkwijze die verstandig was om te volgen. Een kerkorde die beweeglijk was en vrij eenvoudig veranderd kon worden. De Hervormde kerkorde was massiever. In de artikelen met Romeinse nummers werd het wat en hoe van de kerk verwoord, in de ordinanties volgden de praktische regels. Kerkorde als toegepaste ecclesiologie (de leer van de kerk). Dat paste bij het nieuwe begin dat de NHK na de oorlog maakte.

Schijn bedriegt, trouwens. Gereformeerde Kerken in Nederland: meervoud. Maar in de praktijk stelden de Gereformeerden zich enkelvoudig op. Als een zaak volgens alle spelregels in de synode behandeld was, stónd dat besluit dan ook en was de zaak beslist. De Nederlandse Hervormde Kerk: enkelvoud. Maar in de praktijk stelden de Hervormden zich nogal meervoudig op. Een synodebesluit betekende niet het einde van de discussie, maar het begin ervan. En men zou nog wel eens bezien wat daar uitrolde. Zo is de Gereformeerde Bond in het begin met Samen op Weg omgegaan. Alsof het er voor de Bond niet toe deed, die paar poldergemeenten en de verstrooide protestanten in de diaspora in het zuiden. Dat die samenwerkten, was logisch. Maar voor de rest?

Het Samen op Weg-proces begon gestalte te krijgen en er was een “Tussenorde” vastgesteld waarmee Samen op Weg-gemeenten federatief konden werken. Alle federatieve besluiten moesten echter door de afzonderlijke kerkenraden bekrachtigd worden (toch weer ratificatie-kerkrecht?!). Daar hadden de SoW-gemeenten niet genoeg meer aan. Doopouders die hun kleintje in een gezamenlijke dienst ten doop hielden, kon je na afloop toch niet meer vragen: moet de dopeling nu als Gereformeerd of als Hervormd te boek staan? Er kwam behoefte aan een verdergaande integratie. Maar wat voor soort kerkorde moest daaraan ten grondslag liggen? Kon je bijvoorbeeld in de Hervormde kerkorde een “lege-huls-artikel” opnemen en dat stap voor stap opvullen met nieuw Samen op Weg-kerkrecht of zou je daarmee al werkende weg niet alleen de Hervormde kerkorde maar ook de er achterliggende ecclesiologie bij stukjes en beetjes demonteren? Ik zat als preses met de assessor in de Raad van Deputaten Samen op Weg. Er werd fel gediscussieerd. Het Hervormde moderamen begon meer en meer tegenzin te krijgen in een “lege-huls-artikel”.

Tijdens de synodeweken hielden we op maandagavond altijd een besloten zitting. Dan werden de benoemingen besproken en gedaan. We gebruikten die zitting als moderamen ook om de synode vertrouwelijk bij te praten over zaken die wij tegenkwamen, zonder dat er een besluitendwang was. Toen het conflict in de Raad van Deputaten Samen op Weg tot op de voorpagina’s van de kranten losbarstte, kwam dat voor de synode niet als een verrassing. Nadat een commissie van onderzoek de handelwijze van het moderamen getoetst had, kwam de conclusie dat wij binnen de kaders van onze bevoegdheden waren gebleven. Morrend en met tegenzin ging de synode er uiteindelijk mee akkoord dat er een nieuwe kerkorde zou komen naar Hervormd model. Dat betekende afscheid van een werkorde en van de beweeglijkheid van een lege huls. En het invoeren van een kerkorde als toegepaste ecclesiologie, niet meer impliciet, maar expliciet. Hoe dat dan precies zou moeten: daar kwam een werkgroep met Gereformeerde, Hervormde en Lutherse deskundigen voor. Het zou beslist de moeite waard blijken te zijn om de ecclesiologie van de toekomstige verenigde kerk (er was toen nog geen naam) vorm te geven.

Er kwam een einde aan mijn synodelidmaatschap. Ik ging weer volop aan de gang in wijk Noord in Haren en zou wat voor de landelijke kerk blijven doen op het gebied van personeel, financiën en organisatie: voorzitter van het betreffende deputaatschap. De kerk had in mij geïnvesteerd en daar mocht je ook wat voor terugdoen. Bericht uit het Gereformeerde dienstencentrum in Leusden gooide roet in het eten. Het nieuwe moderamen wilde mij graag als lid van de nieuwe werkgroep kerkorde. Men was verlegen: de twee gereformeerde adviseurs kerkrecht hadden de neiging om het steevast met elkaar oneens te zijn en daarmee zou de gereformeerde inbreng in de werkgroep in gevaar komen. “Als jij nou in die werkgroep gaat zitten om die twee een beetje bij elkaar te houden, dan zoeken wij wel iemand anders voor personeel, financiën en organisatie”. Ik sputterde nog tegen dat in geen specialist op het gebied van kerkorde was. “Nee, maar je bent generalist en weet wel van de hoed en de rand”. Zo kwam ik in de aangename hogedrukpan van de werkgroep kerkorde terecht, waar alles bespreekbaar was.

De omgeving was niet gunstig. Slapende Bonden werden wakker en beseften dat Samen op Weg onherroepelijk zou worden: de drie deelnemende kerken hadden uitgesproken “in staat van hereniging te zijn”. Maar de Gereformeerde Bond begon kerkpolitiek te spelen: “we kunnen niet weg en we kunnen niet mee”. Het altijd door de Bond verfoeide beginsel der Afscheiding begon nu in de Bond zelf te werken, verweet ik de “bondscoach” Jan van der Graaf. Het Samen op Weg-probleem was, zo werd gezegd, op te lossen als de Gereformeerden gewoon “terug” kwamen. “Dan blijft er in Lunteren (waar de synode vergaderde) geen ruit meer heel”, reageerde ik. Het haalde de Kerstpuzzel van Trouw. In de werkgroep, waar de sfeer en de samenwerking goed waren, kregen wij het gevoel dat we het bos in gestuurd waren met de stille hoop dat we daar nooit meer uit zouden komen…

De twee gereformeerde kerkrechtadviseurs vonden elkaar op de nieuwe inhoud. De hele ecclesiologie kwam op tafel, ook alle frustraties over de Hervormde kerkorde van 1951. Moest het apostolaat (artikel 8) voor het belijden (artikel 10) worden genoemd, of omgekeerd? De “tien voor acht of de acht voor tien”-discussie, en dan weet je wel hoe laat het is. Maar we kwamen er uit: op een Amsterdamse zolderkamer ontstond het idee om artikel I te gebruiken voor alle theologische papieren van de kerk: de zending, het belijden, de verhouding van de kerk tot Israël. Het was nog wel lastig om alles precies in te vullen, maar we kwamen er uit en konden de nieuwe Romeinse artikelen (met Romeinse cijfers aangeduid) vrij snel aan de “triosynode” voorleggen. Een afzonderlijke bepaling over het huwelijk stond er niet in; onder de kerkdiensten stonden ook diensten van trouw en rouw vermeld. Zo wilden wij als werkgroep de discussie over huwelijk en andere samenlevingsvormen niet kerkordelijk ijken. In de afzonderlijke kerken bestond de mogelijkheid al dat plaatselijke gemeenten ook andere samenlevingsvormen konden zegenen. Achter die gegeven ruimte wilden wij als werkgroep niet terug.

Het bleek niet aanvaardbaar voor de synodeleden met een Bondsachtergrond. Er moest en er zou een bepaling over het huwelijk in de Romeinse artikelen staan, want het ging om een scheppingsordinantie! Tegenargumenten dat dan ook de sabbat en de arbeid een plek in de Romeinse artikelen zouden moeten hebben, werkten niet. Waarschuwingen dat het opnemen van het huwelijk bij de Romeinse artikelen ook het opnemen van een clausule over andere samenlevingsvormen noodzakelijk zou maken, vonden geen gehoor. “Dat zullen we wel zien als we zover zijn”. Hoe sterker de Bond voor het huwelijk zou pleiten, des te sterker zouden anderen voor de gelijkberechtiging van andere samenlevingsvormen opkomen. Het was inmiddels tien jaar geleden dat de gereformeerde synode had opgeroepen tot aanvaarding van homoseksuele gemeenteleden. Dit was een testcase. Ten onrechte is dit door bezwaarden als breekpunt gehanteerd; er is in de kerkorde niet meer mogelijk gemaakt dan in de afzonderlijke kerken al was toegestaan.

Klaagliederen dat “het homohuwelijk in de kerkorde” is opgenomen, zijn daarom niet terecht. Ze vergeten dat je oorzaken niet kwalijk kunt nemen als ze gevolgen hebben; de oorzaak ligt bij de hardnekkigheid van het “Bondshuwelijk”. De werkelijkheid ligt genuanceerder. In de kerkorde is het huwelijk nu voorbehouden aan man en vrouw (in afwijking van de in Nederland geldende wetgeving). Huwelijken worden ingezegend en andere samenlevingsvormen kunnen gezegend worden. De beslissing hangt af van de plaatselijke gemeente. Maar wat, vraag ik me nog steeds af, is het grote theologische verschil tussen inzegenen en zegenen? Leg dat in je beste Engels maar eens uit op het oecumenische speelveld. Over dit speelveld later meer.

We hebben het toen, achteraf gezien, in de kerkorde en vooral de ordinanties veel te ingewikkeld gemaakt en veel te zwaar opgetuigd met evenwichtsconstructies. Maar het principe was goed: alle ruimte voor de plaatselijke gemeenten met hun eigen praktijken, die elkaar dan wel weer in de classis zouden tegenkomen; en een permanente generale synode met afgevaardigden direct uit de classis. Een permanente synode was natuurlijk een afwijking van de gereformeerde gewoonte. Maar als een kerk door haar generale synode werkgever is, kan zij natuurlijk niet als knipperlicht opereren: aan-uit, aan-uit, en werkelijk belangrijke zaken moeten wachten tot de nieuwe generale synode. De positie van de kerk in de samenleving vraagt om méér dan een synode die er nu eens niet, en dan weer wél is. Maar plaatselijke gemeenten worden niet in een synodaal gareel gedwongen; zij weten het best waar hun behoeften liggen en hoe hun taken gestalte kunnen krijgen, en hebben die bevoegdheid dan ook.

Was dat nog te verenigen met mijn Vrijgemaakte wortels? Ik had nogal eens te maken gehad met revisieverzoeken en appèlkwesties en had daar geen goede herinneringen aan. Het gebeurde te vaak dat kerkelijke vergaderingen als “rechter in eigen zaak” optraden. Berucht was mijn (fictieve) catechisatievoorbeeld van ds. X, die in het slechtste geval als kerkvisitator betrokken was bij een conflict in de gemeente Y, verslag uitbracht aan de classis en als afgevaardigde naar de classis ook zelf deel kon nemen aan de beraadslagingen. Als gemeente Y dan in beroep ging bij de particuliere synode, dan kwam zij de nogal ijverige en ijverende ds. X wéér tegen: eerst als voorzitter van de provinciale deputaten voor moeilijkheden, vervolgens als lid van de particuliere synode. Ging gemeente Y dan in arren moede in beroep bij de generale synode, dan kwam zij ds. X wéér tegen, ditmaal als synodelid. Slijtageslagen waren het gevolg. Gelukkig werd de werkgroep kerkorde het er onderling snel over eens dat kwesties van opzicht en recht, geschillen en ontheffingen uit het ambt niet meer in de kerkelijke vergaderingen moesten worden behandeld, maar in onafhankelijke colleges die van hun werkzaamheden verslag (niet: verantwoording!) uitbrachten aan de kerkelijke vergadering. Het enige recht dat de kerkelijke vergadering nog had, was het benoemingsrecht. Ik denk dat de rechtszekerheid zo meer gewaarborgd is: willekeur van kerkelijke vergaderingen “die hun eigen aftocht moeten dekken” is nu bijna uitgesloten. En als er kwesties zouden uitbreken rond plaatselijke predikanten, hoeft het moderamen niet meteen op stel en sprong te reageren: de zaak ligt bij het betreffende college en zo lang een zaak onder de rechter is: geen commentaar.

Het lidmaatschap van de werkgroep kerkorde begon zoveel tijd op te eisen dat het voor een gewoon gemeentepredikant niet meer te doen was. Ik heb ontheffing gevraagd en gekregen. Er kwam vrij kort daarna een nieuwe vraag. De toekomstige dienstenorganisatie moest aangestuurd worden door drie generale raden, en men vroeg mij om de raad voor missionair werk, diaconaat en oecumene voor te gaan zitten. Met het oecumenische werkveld was ik bekend, omdat de preses van de synode q.q. lid van het deputaatschap oecumene was. Nu kwamen het diaconaat en het missionair werk, ook dat van de Hervormden en de Luthersen, erbij. De preek die mijn vader in Hattem niet mocht houden, over Elia die bij de Karmel niet tien (het tienstammenrijk) maar twaalf stenen verzamelde, naar Jeruzalemse tijd (de tijd van het avondoffer), heb ik sindsdien vaak bij oecumenische dagopeningen in binnen- en buitenland gebruikt. Dat was ook wel nodig, want het ging in het buitenland altijd over de vermanende gedeelten van de brieven van Paulus (inclusief het opgestoken wijsvingertje) en nooit over de verhalende gedeelten van het Oude Testament. Dat gaf een bepaalde eenzijdigheid: er “moest” altijd zoveel en er “mocht” nooit iets, vooral bij oecumenische lichamen van gereformeerde stempel. Verhalende teksten bieden meer ruimte, en een vleugje heilshistorie was nooit weg.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: