Stroomopwaarts (1) (over 75 jaar Vrijmaking)

Op Twitter schreef ik dat ik bij het lezen van een boek over de Vrijmaking de achtste symfonie van Gustav Mahler zou opzetten: Veni Creator Spiritus (kom, Heilige Geest) [1]. Een twittervriend vroeg: waarom? Een tweet is te kort om daar antwoord op te geven. Want “stroomopwaarts” betekent dat ik ook naar mijn eigen bronnen op zoek moet. En die liggen voor een deel in de GKv. Ik ben de zoon van ds. H.C. Overeem, die als vrijgemaakt predikant in 1946 in Sliedrecht begon en in 1961 als predikant in Hattem weer overging naar de GKN. Voor de fijnproevers: hij vond dat na het intrekken van de “Vervangingsformule” door de GKN-synode er qua leeruitspraken en binding daaraan geen reden meer voor de Vrijmaking was (die Vervangingsformule had volgens de synode “zegenrijk gewerkt”; volgens mij een schaamlap om de aftocht te dekken). Hij wilde daarom samenspreken met de plaatselijke GKN-gemeente maar kreeg een preekverbod van zijn kerkenraad. De Hattemer pastorie aan de Achterstraat zat propvol gemeenteleden die er net zo over dachten als hij; de mensen zaten tot op de trap. Ik herinner me ook hoe ons hele gezin op zondag tegen de stroom kerkgangers naar de Achterstraat in liep naar de “synodale” kerk aan de Dorpsweg.

Stroomopwaarts of een doodlopende riviertak? Er zijn toen heel wat onvriendelijke kwalificaties gebezigd. Ik heb sindsdien een hekel aan scherpslijpers zoals de toenmalige doordrijvers van de “doorgaande reformatie” (ik moest op de kersverse vrijgemaakte school van (boven)meester Hoogland voor straf in de hoek staan omdat ik toen al niet wilde geloven dat de vrijgemaakte kerk de enig ware kerk was). Ook een hekel aan conflicten in de kerk, die dan met tuchtmaatregelen moesten worden “opgelost”. Het middel was vaak erger dan de kwaal. Verder heb ik weinig complexen aan die vrijgemaakte tijd overgehouden: vader op de preekstoel, zus Heleen die haar kwartje voor de collecte verloor, onder de bank dook, opkrabbelde met een  triomfantelijk omhoog gehouden stuiver in haar hand, mijn moeder ging door de grond. In “De Spiegel” stond een heel artikel over spoken in de kerk van Hattem (het bleek dat de jeugd overactief was en een sleutel had weten te bemachtigen). Ik zal de laatste van mijn generatie predikanten zijn die nog een blauwe maandag op de knapenvereniging gezeten heeft. Omdat vader legerpredikant in Arnhem was, verhuisde ons gezin naar Elst in de Overbetuwe. Toen een klein dorp met een GKN-diaspora, die al gauw het prachtige kerkgebouw van de Hervormde gemeente mocht delen. Het oude kerkje werd met vereende krachten tot Jeugdhonk omgebouwd. De Vrijmaking was in dit dorp ver weg. Het ouderlijk huis in Nederland hield in een keer op te bestaan: vader werd legerpredikant bij de Nederlandse NATO-troepen in het Duitse Seedorf.

Ik haalde mijn eindexamen gymnasium met een voldoende voor wiskunde. Een unicum! De leraar wiskunde vroeg wat ik ging doen. Ik zei: “theologie”. Hij antwoordde dat dat goed was voor de theologie en nog beter voor de wiskunde… Ik ging in 1967 in Kampen studeren omdat ik bij het uitstappen uit de trein meteen verliefd was op deze Hanzestad aan de IJssel. Het ging aan de Theologische Hogeschool Oudestraat (GKN) nauwelijks over de tegenhanger aan de Broederweg (GKv), alsof men de hele geschiedenis liefst zo snel mogelijk vergeten wilde. De enige nog actieve hoofdrolspeler in het conflict van toen was Herman Ridderbos, die naar zijn eigen zeggen niet woord “verbond” na de oorlog niet meer kon horen en ons inwijdde in de geheimen van het koninkrijk van God. Hij moest met anderen regelmatig in actie komen op de synode als er weer eens een verzoek uit het grondvlak tot herziening van de besluiten die tot de Vrijmaking hadden geleid in behandeling kwam. Er kwam dan een “buslading vol preadviseurs” (prof. dr. Henk Weijland) uit Kampen en Amsterdam, die als eersten het woord voerden met het argument dat het echt niet anders gekund had – en als je daarna als bescheiden ouderling je zegje nog durfde doen, was de kwestie eigenlijk al beslist. De leeruitspraken waren ingetrokken, de Vervangingsformule op het zegenrijke zijspoor gerangeerd, de Vrijgemaakten hadden intern de handen vol aan elkaar – mijn liefje, wat wil je nu eigenlijk nog meer? Kerkrecht was bij professor Plomp niet meer een zaak van heilige beginselen (die stonden in Schrift en belijdenis) maar gewoon een bundel afspraken voor de goede orde in de kerk. Het ging in de kerk niet slechts om het recht, maar het ging in het praktisch toepassen van de regels ook om de kerk en haar welzijn.

Pas bij professor Runia viel een kwartje over de Vrijmaking. Bij de colleges homiletiek bracht hij de discussie over de heilshistorische versus de exemplarische benadering van de Bijbelverhalen ter sprake. Wij hoorden het als studenten in Keulen donderen (want niemand wist hier iets van, met de Vrijmaking was ook deze discussie spoorloos uit de GKN verdwenen). Er werd “bij ons” nogal exemplarisch gepreekt, met de manke Mefiboset (zoon van Jonatan) uit Lodebar (Nergenshuizen) die door David aan tafel genodigd werd als geliefde stof bij de viering van het Avondmaal. Zo moesten wij ons met onze kreupelheid ook laten nodigen (en de gemeente, die niet beter wist, smulde ervan). Dat Gods verbond met David toch een andere gelaagdheid had dan het nieuwe verbond “in mijn bloed”, en dat wij heilshistorisch veel rijker en daarom veel verantwoordelijker waren dan David (en dat je daarom diaconaat en mensen met een handicap zeer serieus moet nemen) kwam nauwelijks uit de verf. Ik had van mijn vader (die zijn bibliotheek opruimde vanwege ruimtegebrek in huis en ruimteoverschot in zijn  geheugen: hij had een bijna fotografisch geheugen voor wat hij ooit gelezen had) een stapel boeken van Schilder, Holwerda en Van ’t Veer gekregen en begon te lezen. Ik raakte gefascineerd door Elia bij Van ’t Veer en de trilogie over Christus in zijn Lijden van Schilder. En dat ging mee naar de eerste gemeente in 1973: Luttelgeest-Kuinre, classis Emmeloord.

De Noordoostpolder met één voormalig eiland, tien dorpen en één kerndorp was een merkwaardig geheel. Men had de Wieringermeer gekopieerd: elke boerderij had nog een paardenstal en een aantal dienstwoningen (“arbeiderswoningen” in de volksmond). Voor al dat personeel moesten er dorpen zijn met scholen, kerken en een verenigingsleven. Per dorp mocht één kerktoren boven alle andere uitsteken door overheidssubsidie (in Luttelgeest was dat de rooms-katholieke kerk). Maar door de mechanisering van de landbouw en door de pil viel de geplande groei tegen. Kerkelijk leidde dat tot het merkwaardige verschijnsel dat slechts twee gemeenten (Emmeloord en Urk) oudere predikanten konden betalen; alle andere dorpen deden het met jonge kandidaten. Er was dus veel ruimte om het domineesvak te leren (er waren toen nauwelijks bejaarden in de polder!), en de dominees kregen de kans om allerlei bestuurstaken in de classis en in de particuliere synode op zich te nemen. Ik mocht de classis Emmeloord voorzitten en werd afgevaardigd naar de particuliere synode van Overijssel, waar ik in een tweede periode ook voorzitter van werd. En ik bleef lezen: je hebt Schilder niet zomaar “uit”.

Het nieuwe land kende weinig oud zeer. De Vrijmaking had er geen rol gespeeld. Er was alle ruimte om een nieuw begin te maken, en de eerste contouren van een samengaan van Gereformeerden en Hervormden dienden zich aan. De plaatselijke verhoudingen tussen de gemeenten waren prima; er waren geen ergernissen over kerkelijke goederen of in het verre verleden spelende tuchtkwesties. Wat er wél was: een zekere “vrijzinnigheidskramp”. Vrijzinnigheid was een bij gereformeerden spookwoord en diende op een afstand gehouden te worden. Dat werd in de GKN gewaarborgd door ondertekeningsformulieren (ik geloof dat de kerk ergens wel tien handtekeningen van mij heeft). Die handtekeningen hebben de binding en de verbondenheid aan de mooie traditie eigenlijk nodeloos verkrampt en gejuridiseerd. Waarom geen ski-binding die losschiet als er gevaar op letsel dreigt? Hoe vrijzinnig waren die vrijzinnigen nu helemaal en hoeveel invloed hadden ze? De “herderlijke schrijvens” die de Hervormde synode bij bepaalde kwesties liet verschijnen, waren toch ook een begaanbare weg. We hadden beter op de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk kunnen letten, die met alle bezwaren binnen de NHK toch op zijn post bleef met zijn bezwaar tegen het “beginsel der Afscheiding”. Het kon toch niet dat het “waar-vals-schema”  dat in de hervormingstijd tegen Rome gericht was nu tegen “broeders van hetzelfde huis” ingezet werd! Hoe houdbaar was het Gereformeerde kerkmodel eigenlijk: “we zijn één omdat we het eens zijn” en als de eens geformuleerde waarheid niet meer “werkt” omdat geloof meer is dan formuleren, hebben we meteen samen ook niets meer? “Zuiver” vraagt om steeds meer “zuiver” en leidt tot minimalisering. Je houdt geen wereldkerk meer over en geen katholiciteit, maar slechts een smaldeel waarbinnen men elkaar in de gaten zit te houden. Wat eens onze trots was, begon in de GKN moeite en leed te worden. Wij worstelden ons van kwestie tot kwestie en gingen van klacht tot klacht steeds voort. En wij misten een vitaal onderdeel van de kerk: dat was met de Vrijmaking geamputeerd. Emigratie deed ook een duit in het zakje. Secularisatie, emancipatie…

(De uitvoering van Mariss Jansons en het Koninklijk Concertgebouworkest is inmiddels klaar. Even pauze. Een tweede deel volgt, onder het genot van een andere uitvoering).


[1] Erik de Boer, Geranne Tamminga, Dolf te Velde, Gereformeerde Theologie Stroomopwaarts, Terugkijken op 75 jaar Vrijmaking, Amsterdam 2021.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: