Civiele verdediging als aanvalswapen?

Team B was indertijd ingesteld om de te optimistische verwachtingen van de CIA over de Sovjet-Unie door te prikken. In december 1976 verscheen het rapport van Team B over de strategische doelen van de Sovjet-Unie. Het was – uiteraard! – een en al kommer, kwel en jammerklacht. Het rapport was het startsignaal voor een neoconservatief pleidooi voor bewapening en confrontatiepolitiek in de VS. Het nucleaire Rupsje Nooitgenoeg begon zich weer vol te vreten.

Het rapport besteedde ook aandacht aan de inspanningen van de Sovjet-Unie op het gebied van de civiele verdediging. De standaardanalyse had volgens Team B dit terrein verwaarloosd. De civiele verdediging was voor de Sovjet-Unie een van de middelen om een kernoorlog te kunnen voeren en daaruit met een levensvatbare samenleving tevoorschijn te komen. Als de Sovjet-Unie op de ingeslagen weg verder ging, bleef het aantal slachtoffers van een kernoorlog beperkt en kon het politieke systeem de oorlog overleven. De civiele verdediging als verkapt aanvalswapen: hoe verknipt wil je het hebben?

De samenleving begon er anders over te denken. Het enthousiasme waarmee de bibliotheken zich dienstbaar hadden gemaakt aan het klimaat van de Koude Oorlog en het verspreiden van brochures van de regering over wat men aan zelfbescherming kon doen, was in de zestiger jaren gedoofd. Door de oorlog in Vietnam raakte de Amerikaanse samenleving gepolariseerd. De consensus over de Koude Oorlog verdween. Door het veel grotere aantal en het veel zwaardere kaliber van kernwapens zou een nieuwe oorlog alomvattend zijn. Er was grote twijfel of een dergelijke oorlog te overleven was. Bibliotheken moesten daarom – soms letterlijk, sommige bibliotheken fungeerden in geval van nood als schuilkelders – uit de schuilkelderstand komen en weer een uitvalplatform voor een beschavingsoffensief worden. In hun collecties dienden niet alleen de officiële en geruststellende voorlichtingsbrochures van de regering voor te komen, maar ook handleidingen voor conflictbeheersing en vredesliteratuur. De boekenplanken konden een veel nuttiger en belangrijker functie hebben dan extra bescherming tegen bestraling.

Op 29 september 1978 ondertekende Carter PD-41. In dit beleidsdocument over U.S. Civil Defense Policy was de civiele verdediging een onderdeel van het strategische machtsevenwicht. Civiele verdediging kon nucleaire chantage door de Sovjet-Unie voorkomen. Het aantal overlevenden nam er enigszins door toe zodat er na de kernoorlog een bredere basis voor nationaal herstel zou zijn. Civiele verdediging kwam niet in mindering op het vertrouwen van de VS in het handhaven van de afschrikking door strategische kernwapens. De verdediging kon gebruik maken van het grote aantal auto’s in particulier bezit, het uitstekende wegennet, en de talrijke buiten de grote steden gelegen opvanggebieden. En natuurlijk waren de programma’s voor civiele verdediging ook geschikt voor de opvang bij natuurrampen en andere noodsituaties. Het verhullend taalgebruik van PD-41 en de documenten die er uit voortkwamen is opvallend. Niet meer run for the hills, vlucht, of evacuatie, maar een keurige crisis relocation die voor te bereiden en te managen was. De civiele verdediging was geen bescherming tegen, maar onderdeel van de Koude Oorlog geworden – waarvan het draagvlak toch al onder druk stond.

In de FEMA (Federal Emergency Management Agency) brochure (U.S. Crisis Relocation Planning, februari 1981) was de bereidheid van de bevolking om aan de gemaakte ontruimingsplannen mee te werken een belangrijk aandachtspunt. Iedereen moest zich natuurlijk wel gedisciplineerd gedragen, paniek helpen voorkomen en zich aan de aanwijzingen houden. De bewoners van Washington DC met een oneven kentekennummer moesten wachten tot hun buren met een even kentekennummer, die eerst aan de beurt waren, de straten en de wegen hadden vrijgemaakt. Veilige opvanggebieden lagen soms op grote afstand: voor Los Angeles was die 200 mijl en voor New York niet veel minder. Wie kon garanderen dat de voor de in 3,5 dagen geplande ontruiming van New York benodigde miljoenen auto’s allemaal met een volle tank en de neus in de goede richting klaar zouden staan, en dat slechts een klein percentage onderweg pech zou krijgen? Had het FEMA de ramp van een kernoorlog niet teveel in te managen stukjes geknipt in plaats van te beseffen dat het geheel vele malen noodlottiger was dan de som van de delen?

Er moesten natuurlijk wel voldoende beschermde en bevoorrade opvanggelegenheden zijn. In september 1980 was dat volgens het FEMA slechts voor 10 % van de bevolking het geval. Een vijfde deel van de 2750 benodigde opvanglocaties was gereed. De managers moesten nog getraind worden en de productie van de noodvoorraden moest nog beginnen. Maar als men het evenwichtige en goedkope FEMA-programma financieel onverkort zou uitvoeren, kon 80% van de bevolking van de VS een zware kernaanval overleven. De radioactieve neerslag zou niet overal vallen en de intensiteit en duur ervan
hingen samen met de vraag hoeveel kernexplosies op de grond zouden plaatsvinden. Maar met een beetje geluk zou slechts de helft van de bevolking twee dagen tot twee weken lang in de schuilgelegenheid moeten blijven; de andere helft maximaal twee dagen of helemaal niet.

Wie kon kaartlezen, zag dat de werkelijkheid anders lag. Een in de brochure afgedrukte kaart van de VS staat vol met zwarte vegen die de fall-out na een kernaanval voorstellen. De oostkust is bijna helemaal zwart. Datzelfde gold voor de kust van de Golf van Mexico en de stedenband in het zuiden van Californië. De enige staat die vrij bleef van fall-out was Oregon. Ook het afgelegen North-Dakota had maar één zwarte vlek. Maar voordat je daar met je vluchtauto was, had je heel wat kilometers gemaakt. Er werd dan ook vol ongeloof op de FEMA-plannen gereageerd. Vanwege de te verwachten straling kwam de ontruiming immers neer op het vervoeren van de mensen van de ene dood naar de andere. In een omkering van de gewone gang van zaken zouden de doden zich bovengronds bevinden en de levenden ondergronds. Als (de) overlevenden bovengronds kwamen, bevonden zij zich in een stervende natuur. Voor de schepping was immers geen schuilkelder. De VS zou een republiek van gras en insecten zijn.

Mensen kregen het gevoel dat de regering tegen zichzelf aan het liegen was; de FEMA-brochure repte met geen woord over het rapport van het Congres, dat veel pessimistischer was. Een kort verblijf in de schuilkelder viel niet te rijmen met de plannen van de regering voor een beperkte, beheersbare en gefaseerde langdurige kernoorlog met pauzeknop. Men wist niet waar de kernwapens zouden inslaan, en of niet juist de toevluchtsoorden van de burgerbevolking als doelwit zouden worden gekozen.

Op 20 november 1983 zond ABC-tv de film The Day After uit. De film liet de gevolgen van een kernaanval op steden in het middenwesten van de VS zien. De uitzending trok meer dan 100 miljoen kijkers. Een belangrijk aandachtspunt in de film was de zinloosheid van plannen voor civiele verdediging: niets was tegen de vernietiging opgewassen. We zijn dan een heel eind verwijderd van de positieve voorlichtingsfilms van dertig jaren eerder met titels als You Can Beat the Atomic Bomb, Our Cities Must Fight, en Duck and Cover. Kernoorlog betekende nu: ondergang.

Dat was ook de boodschap van de film in documentaire stijl The War Game, die op 31 juli 1985 door BBC2 werd uitgezonden. De film was al in 1965 voor de BBC geproduceerd, maar toen niet uitgezonden omdat de beelden te schokkend zouden zijn. Al gauw ging het gerucht dat de regering achter de schermen de uitzending had verhinderd. Gezien de nauwe banden tussen de Britse regering en de leiding van de BBC, die vol zat met ex-ministers en andere politici, lag dit gerucht voor de hand. In werkelijkheid had de BBC, die vanwege de “linkse koers” in 1965 onder vuur lag van de Britse regering en krap bij kas zat, aan zelfcensuur gedaan. De film was volgens de omroep te kritisch over de afschrikking en over de effectiviteit van de civiele verdediging. De BBC verklaarde het besluit om de film in 1985 wel uit te zenden met het argument dat de Bom nu controversieel was. Het was niet de taak van de omroep om een controverse op te roepen, maar er was geen beletsel om materiaal over een bestaande controverse uit te zenden. De film was inmiddels al door miljoenen mensen in filmhuizen en bij besloten vertoningen bekeken.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: