Atoomparaplu en neutronenbom

De door de Amerikanen voorgestane strategie van flexible response zou in het ergste geval kunnen betekenen dat het Duitse grondgebied door het Westen werd prijsgegeven, of zelfs dat het Amerikaanse continent werd losgekoppeld van een kernoorlog in Europa. De VS leek in dat geval bereid om tot op de laatste Europeaan te strijden. Hoe sterk zou de Amerikaanse atoomparaplu boven West-Europa in werkelijkheid zijn? Op papier klopte alles, maar papier is geduldig…

Het viel niet mee om de Bondsrepubliek Dutsland op dit gebied gerust te stellen. In 1954 had de Bondsrepubliek onder leiding van Adenauer verklaard vrijwillig af te zien van het maken van massavernietigingswapens voorover dit het Duitse grondgebied betrof. De Bundeswehr werd getraind in het gebruik van nucleaire artillerie, waarbij de wapens onder Amerikaans beheer bleven. Duitse atomaire doelwitten vielen onder de Amerikaanse rode knop.

De VS deed er veel aan om de Duitse ongerustheid weg te nemen. In 1963 was de regering-Kennedy met het idee van een multilaterale kernmacht gekomen: 200 Polarisraketten op 25 NATO-schepen, waarbij de Franse en Britse kernwapens inbegrepen zouden zijn. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk voelden er echter niets voor om hun eigen nucleaire autonomie op te geven en bij de VS aan te schuiven, ook als dat ter wille van Duitsland was. Ook in de VS ontstond verzet tegen het plan, omdat de overdracht van kernwapens nu juist in strijd was met het non-proliferatieverdrag, waar in Genève hard aan gewerkt werd.

Voor Duitsland raakte de weg om in arren moede dan zelf maar kernwapens te gaan ontwikkelen langzamerhand geblokkeerd: elke Ostpolitik zou in dat geval onmogelijk worden en het bondgenootschap met het Westen zou onder zware druk komen te staan. De Bondsrepubliek, die (paradoxaal!) eigenlijk sterker dan de Sovjet-Unie en tegelijkertijd zwakker dan Luxemburg moest zijn, tekende in november 1969 het non-proliferatieverdrag. McNamara verstrekte aan de Bundeswehr 1.300 kernwapens (de zeggenschap bleef in Amerikaanse handen) en stelde in de NATO een Nuclear Planning Group in waarin de Bondsrepubliek een vaste zetel kreeg. Toen de VS verouderde kernraketten voor de middellange afstand uit Europa terugtrok en de Sovjet-Unie begon met het plaatsen van SS-4 en SS-5 raketten, richtten de Amerikanen hun intercontinentale raketten zo dat de doelwitten in het Oostblok die de VS bedreigden en de doelwitten die West-Europa bedreigden met dezelfde prioriteit onder vuur zouden worden genomen. De regering-Nixon ging met dit beleid door: hoewel het aantal kernwapens in Europa alle perken te buiten ging, lag het gevoelig om verouderde systemen terug te trekken. Nixon stelde 150 onafhankelijk van elkaar te richten kernkoppen aan boord van Poseidon onderzeeboten ter beschikking aan het opperbevel van de NATO. De (verouderde) jachtbommenwerpers met nucleaire taken die uit Europa werden teruggetrokken waren echter zichtbaar; de nieuwe onderzeeërs waren dat juist niet.

Voor de Amerikanen was het vervangen van wapensystemen in West-Europa routine; voor de Bondsrepubliek was dat beslist niet het geval. Daar kwam de plaatsing van de nieuwe SS-20 raketten nog bij. De VS kon daar nonchalant over doen, maar voor de West-Europeanen was de SS-20 geen middellange afstandsraket, maar wel degelijk een op hen gericht strategisch kernwapen met een hoog kaliber. De NATO had geen gelijkwaardig equivalent als tegenmaatregel en was aangewezen op de Amerikaanse intercontinentale raketten, die de mobiele SS-20 lanceerinstallaties echter moeilijk konden raken. De SS-20 zou immers al gelanceerd zijn voordat de Amerikaanse raketten doel konden treffen.

Bondskanselier Schmidt kon de Amerikaanse geruststellingen en het gebrek aan concreetheid niet langer verkroppen. Op 28 oktober 1977 bond hij de kat de bel aan in een toespraak in Londen voor het International Institute for Strategic Studies. Hij wees er op dat in SALT-I en in het proces op weg naar SALT-II wel gestreefd werd naar een nucleaire pariteit tussen de VS en de Sovjet-Unie, maar dat het nucleaire en conventionele evenwicht in Europa ver te zoeken was. Aan de NATO-kant ontbraken sporten op de escalatieladder van flexible response. Op alle sporten van deze ladder moesten afdoende conventionele en nucleaire middelen beschikbaar zijn. Zo alleen was er sprake van een werkelijke afschrikking. Schmidt zei nu in het openbaar wat hij al twee jaar tegen de Amerikanen had gezegd: in het proces naar SALT-II moesten de SS-20 raketten worden meegenomen door deze weg te onderhandelen of door desnoods tegenmaatregelen te nemen. Schmidt gaf de voorkeur aan het eerste, maar schrok niet terug voor het tweede.

Het moet gezegd worden: Washington opereerde niet altijd even handig bij gebrek aan afstemming tussen het Pentagon en het State Department. Eerst vond het Pentagon dat West-Europa zich niet zo zenuwachtig moest maken over een routineuze vervanging van verouderde wapensystemen. Het State Department waarschuwde juist voor dreigende vervreemding tussen West-Europa en Washington. Later werd het precies omgekeerd: het Pentagon begon het gevaar van de SS-20 te onderstrepen, terwijl het State Department eerst het aantreden van de nieuwe president (Carter) wilde afwachten voordat men nieuwe verplichtingen op lange termijn aanging. De NATO-afschrikking moest één geheel blijven en geen apart West-Europees onderdeel krijgen; dat de Engelsen en Fransen zelf over kernwapens beschikten, vond het State Department al lastig genoeg. Luns, de vroegere minister van buitenlandse zaken van Nederland en sinds 1971 secretaris-generaal van de NATO, was het met de hardere lijn van het Pentagon eens: de nieuwe regering Carter had als taak om het in Duitsland heersende gebrek aan vertrouwen – het land voelde zich als een bedreigde pion – weg te nemen.

De affaire rond de neutronenbom maakte het trans-Atlantische vertrouwen niet groter. Bij dit nieuwe wapen lag de nadruk niet zozeer op de explosieve kracht maar op het veroorzaken van extra straling. De officiële naam was dan ook Enhanced Radiation Weapon (ERW). Het wapen was in 1958 al bedacht en leek geschikt voor gebruik als uitvergrote artilleriegranaat om een conventionele gepantserde opmars van het Warschaupact tot staan te brengen, zonder de grootschalige verwoestingen bij het gebruik van tactische kernwapens. Het wapen werd geframed als de bom die mensen doodde en gebouwen liet staan. Zo onschadelijk was het wapen echter niet: een kaliber van 1 kiloton betekende geen mini-explosie en elke granaat zou slechts 8 tanks kunnen vernietigen. Zouden er 9.000 van deze wapens gebruikt worden, betekende dat alsnog het einde van de beschaving.

In juni 1977 vroeg de regering-Carter aan het Congres om fondsen voor de productie van dit wapen. De zaak lekte echter uit en leidde tot felle en emotionele reacties in de VS en West-Europa en tot een propaganda-offensief vanuit het Oostblok. In de SPD, de partij van Schmidt, ontstond grote onrust. Partijsecretaris Bahr, een van de architecten van de Ostpolitik, liet niets na om de rampzalige gevolgen voor Duitsland van dit volgens hem perverse wapen onder de aandacht te brengen: de straling was levensgevaarlijk voor de burgerbevolking. De neutronenbom zou de atoomdrempel verlagen en een wederzijds Europees veiligheidssysteem door troepenreductie onmogelijk maken. De doelstelling daarvan was het terugbrengen van de conventionele strijdkrachten tot op een niveau waarbij een offensief niet meer mogelijk was.

Schmidt zat in een moeilijk parket. Hij moest zijn partij en de coalitie met de FDP bij elkaar houden, de Bondsrepubliek als een betrouwbare NATO-partner presenteren, en beschadiging van de relaties met het Oosten en daarmee een vermindering van kansen op een toekomstige regeling van de Duitse kwestie vermijden. Ook Carter stond voor een dilemma. Hij was tot president verkozen op een programma van ontspanning en het doorbreken van de nucleaire wapenwedloop. Op 23 november 1977 schreef hij aan Schmidt dat het ERW alleen geproduceerd zou worden als West-Europa en vooral Bonn de noodzaak en bereidheid uitspraken om het nieuwe wapen op hun grondgebied te plaatsen. Schmidt wilde daar echter niets van weten. De beslissing om het nieuwe wapen te produceren lag alleen bij de VS, zoals dat bij alle kernwapens in het verleden het geval was geweest. De plaatsing van het wapen was een zaak van de NATO en niet alleen van de Bondsrepubliek, die zich op deze manier tot mikpunt van druk vanuit Moskou zou maken.

In februari 1978 wist Schmidt de VS te winnen voor een drievoudig compromis: de VS moest besluiten het nieuwe wapen te produceren; de NATO zou twee jaar met de Sovjets onderhandelen over het niet overgaan tot plaatsing in ruil voor het terugschroeven van het aantal SS-20 raketten; en als deze onderhandelingen geen resultaat zouden opleveren, zou de Bondsrepubliek het ERW op zijn grondgebied toelaten als tenminste één andere NATO-bondgenoot dat ook deed. Op deze manier bracht Schmidt voor het eerst een koppeling aan tussen plaatsing van een wapen en wapenbeheersing: een dubbelbesluit avant la lettre. Met moeite wist Schmidt de SPD mee te krijgen.

Hij had zijn nek ver uitgestoken en was verbaasd en geschokt toen Carter begin april 1978 zonder enig overleg met de bondgenoten de stekker uit het project trok door de productie van het ERW voor onbepaalde tijd uit te stellen. In Nederland had de kwestie al geleid tot het aftreden van CHU-minister van defensie Kruisinga. Deze vond het wapen niet rijmen met de vredestraditie van zijn Doopsgezinde achtergrond. Het Comité “Stop de Neutronenbom” was gedurende korte tijd zeer actief. Het werd vanuit de DDR gesteund. Brezjnev zei in een toespraak in oktober 1978 dat de campagne tegen de neutronenbomsucces had gehad en nu ook op andere gebieden kon worden toegepast. Toch liep er geen rechtstreekse lijn tussen de bedoelingen van Moskou en de vredesbewegingen in het Westen. De vredesbewegingen stelden zich onafhankelijk op gezien de repressie in Oost-Europa en de Sovjetinval in Afghanistan. Maar in de waarneming leek het alsof de NATO verlamd was en alsof Moskou en de pacifisten in het Westen het pleit hadden gewonnen. Bij de neutronenbom was de hooggeroemde bondgenootschappelijke samenwerking in ieder geval al gesneuveld. Als de belangen niet samenvielen, stond het bondgenootschap onder druk.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: