Johnson, Humphrey, Nixon

Johnson had in zijn State of the Union-toespraak op 17 januari 1968 nog optimisme uitgestraald. Er was in Zuid-Vietnam politiek en militair grote vooruitgang geboekt. Hij werd echter ingehaald door de harde werkelijkheid van het TET-offensief. In een toespraak op 18 maart 1968 haalde hij de lessen van de Eerste en van de Tweede Wereldoorlog aan. Concessies doen was gevaarlijk. Een dag later verklaarde hij dat het TET-offensief tegen de VS gericht was. De dominosteentheorie leek nog recht overeind te staan.

Iedereen was verbaasd en verrast toen Johnson op 31 maart meedeelde niet beschikbaar te zijn voor een volgende termijn als president. Hij had vanwege de opstanden en rellen in de VS zijn handen niet vrij om campagne te voeren voor een herverkiezing. De Secret Service kon, nog geen vijf jaren na de moord op Kennedy, niet voor zijn veiligheid instaan als hij zich onder de mensen zou begeven – een onmisbaar onderdeel van de verkiezingscampagne. De stemming ten opzichte van de president was bij velen vijandig. Politiek had Johnson de handen ook niet vrij. De Democraten waren intern verdeeld over Vietnam. Het was niet gebruikelijk om als partijgenoot het tegen een zittende president op te nemen. Alleen senator Eugene McCarthy (Minnesota) had zich op 30 november 1967 kandidaat gesteld. Hij stelde dat er een grens was aan de prijs die voor een militaire overwinning betaald kon worden. Door het TET-offensief kreeg zijn tegen de oorlog gerichte campagne de wind in de zeilen. Hij werd bij zijn campagne in New Hampshire massaal gesteund door studenten. De lange haren en baarden werden gekortwiekt onder het motto: clean for Gene. McCarthy behaalde op 12 maart een verrassend goed resultaat.

Op 16 maart 1968 stelde Bobby Kennedy zich eveneens kandidaat. Ook deze aartsvijand van Johnson was een geduchte tegenstander en verklaarde zich tegen de oorlog. Bovendien was de verwachting dat er nogal wat stemmen uit de Zuidelijke staten zouden weglekken naar de American Independent Party onder leiding van Wallace, de gouverneur van Alabama. Deze verklaarde zich tegen afgedwongen integratie van rassen, beloofde de oorlog na 90 dagen te beëindigen (als de VS voor die tijd de oorlog niet gewonnen had) en legde de klemtoon op wet en orde. De tweede man in Wallace’s campagne was de nucleaire houwdegen Curtis LeMay, die tijdens de campagne verklaarde dat de VS haar fobie voor het gebruik van tactische kernwapens moest loslaten. Hij werd daardoor voor Wallace een blok aan het been. Het was allerminst zeker dat Johnson de Democratische Conventie op zijn hand zou krijgen of uiteindelijk de verkiezingen zou winnen.

Met de toespraak van 31 maart was de mislukking van Johnsons buitenlands beleid een feit geworden. Het was niet langer mogelijk de productie van kanonnen en boter te combineren. Johnson kondigde voorstellen tot belastingverhoging aan. De dominosteentheorie kwam in de toespraak niet meer terug. Een zinsnede dat de toekomst van heel Zuidoost-Azië afhing van de uitkomst in Vietnam werd uit het concept van de toespraak geschrapt. De bombardementen op het grootste deel van het grondgebied van Noord-Vietnam werden opgeschort. Johnson stelde zich op als president die boven de partijen stond. Tegelijkertijd bleef hij een behendig politicus. Tegen het einde van zijn toespraak haalde hij de woorden aan die John F. Kennedy bij zijn inauguratie had uitgesproken over de opofferingsgezindheid van de Amerikanen als het om de vrijheid ging. Daarmee presenteerde hij zichzelf als de wettige erfgenaam en opvolger van Kennedy. Als Bobby Kennedy al plannen had om Johnson als koekoeksjong of als tussenpaus neer te zetten, was deze weg nu afgesneden. Johnson sprak verder met geen woord over Hubert Humphrey, de vicepresident die nu presidentskandidaat kon worden (Humphrey stelde zich op 17 april kandidaat). De boodschap was duidelijk: wilde hij steun van de president, dan zou hij de president en zijn beleid moeten blijven steunen. Daarmee werd het voor Humphrey moeilijk om zichzelf als kandidaat te profileren. Hij werd uiteindelijk de kandidaat van de Democraten, omdat Bobby Kennedy op 6 juni na het winnen van de cruciale voorverkiezingen in Californië werd vermoord.

Na Martin Luther King was nu ook Bobby Kennedy vermoord in een door de oorlog en door politieke en culturele tegenstellingen verscheurd land. Vietnam was verwoest. De VS had zo heftig gebombardeerd dat het tonnage van alle door de strijdende partijen gebruikte explosieven in de Tweede Wereldoorlog overschreden werd. Tonnen aan verdelgingsmiddelen hadden rijstvelden en oerwouden vernietigd. Het ontbladeringsmiddel Agent Orange bevatte het zeer giftige dioxine. Het gehalte van dioxine in het bloed van Zuid-Vietnamezen was drie maal zo hoog als dat in de VS.

Maar het rampjaar was nog niet voorbij: ook de integriteit van de presidentsverkiezingen werd aangevreten. Humphrey kon zich moeilijk van Johnson en van het bestaande beleid losmaken. De oorlog in Vietnam hing als een molensteen om zijn nek. Zijn Republikeinse tegenkandidaat was Richard Nixon. Deze maakte van Vietnam geen zwaar verkiezingsthema. Het ging hem er vooral om de eenheid te herstellen met de instrumenten van law and order. Zo probeerde hij de “zwijgende meerderheid” achter zich te krijgen. Wat Vietnam betreft zei hij alleen dat hij een plan had om de oorlog op een eervolle manier te beëindigen. Over de inhoud van dat plan liet hij zich net zo min uit als Eisenhower dat indertijd over de oorlog in Korea gedaan had.

In oktober zette de Sovjet-Unie Noord-Vietnam zwaar onder druk om zich bij de onderhandelingen toeschietelijker op te stellen. Johnson bood aan om de bombardementen stop te zetten als Hanoi de infiltratie in Zuid-Vietnam zou verminderen en als Zuid-Vietnam aan de onderhandelingstafel welkom was. Nixon was niet gecharmeerd van deze “oktober-verrassing” tijdens zijn nek aan nek race met Humphrey. Door het nieuws van een op handen zijnde doorbraak bij de vredesonderhandelingen zou Humphrey immers de wind in de zeilen krijgen; Noord-Vietnam stelde zich inderdaad toeschietelijker op. Nixon verdacht Johnson ervan dat deze de nationale veiligheid en de verkiezingen met elkaar vermengde. Via geheime kanalen nam Nixon contact op met de Zuid-Vietnamese president Thieu met de boodschap dat deze zijn hakken in het zand moest zetten, omdat Zuid-Vietnam onder Nixon als president een veel betere deal in de wacht kon slepen. De tactiek werkte. Thieu weigerde naar Parijs te komen. Nixon werd met een krappe meerderheid tot president gekozen. Er kwam geen doorbraak bij de onderhandelingen. Johnson en Humphrey waren woedend, maar konden de zaak niet naar buiten brengen: hun bewijsmateriaal was door middel van illegale afluisterpraktijken verkregen.

Nixon had zijn verkiezingsoverwinning mede aan dit vals spel te danken. Heeft Nixon met zijn actie de vrede ook gesaboteerd? Wij zullen het nooit vast kunnen stellen. De mislukking lag minstens ook aan Thieu, en zijn presidentschap was een product van de regering-Johnson. Dit neemt niet weg dat een presidentskandidaat niet het recht heeft om zelf buitenlands beleid te maken en in te grijpen in de bevoegdheid van de president. Johnson was indertijd senator geworden dankzij grootschalige stembusfraude. Nu had Nixon zijn bijnaam tricky Dick weer eer aan gedaan. Hij werd president. Bij zijn inauguratie op 20 januari 1969 waarschuwde hij tegen de uit de hand lopende retoriek: de Amerikanen zouden met minder stemverheffing tot elkaar moeten spreken. Wijze woorden van een president. Maar was Nixon wel de aangewezen persoon om deze woorden uit te spreken?

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: