Kennedy en Vietnam: verkeerde vooronderstellingen (2)

Een andere foutieve vooronderstelling was dat Zuid-Vietnam alleen verdedigd moest worden tegen gewapende agressie uit Hanoi. In werkelijkheid was er in Hanoi een langdurig debat gevoerd tussen twee stromingen: noord eerst en zuid eerst. De noord eerst stroming wilde prioriteit geven aan de opbouw van een nieuwe samenleving in Noord-Vietnam, om voor Zuid-Vietnam een aantrekkelijk alternatief te bieden en via de politieke weg tot een verenigd Vietnam te komen. De zuid eerst stroming wenste de gewapende strijd voorrang te geven: door een met militaire middelen afgedwongen hereniging zou het regime in Hanoi veel draagvlak krijgen. Pas in 1959 begon de zuid eerst stroming het pleit te winnen. Voor die tijd was er nauwelijks sprake van reguliere Noord-Vietnamese strijdkrachten op het grondgebied van Zuid-Vietnam. De invasie vanuit het noorden kwam pas op gang na de escalatie van het conflict door de VS.

De strijd in Vietnam was vooral een burgeroorlog in Zuid-Vietnam. Had het regime van Diem in de jaren vijftig nog een zekere legitimiteit, in het kader van de schuivende panelen van de jaren zestig werden de vraagtekens onvermijdelijk. Maakte alleenheerser Diem met zijn uitschakeling van andere politieke partijen en zijn repressie van de revolutionaire krachten de situatie niet erger in plaats van beter? Had zijn regime wel voldoende draagvlak onder de bevolking? Diem was voldoende conservatief om de conservatieven (bijvoorbeeld de rooms-katholieken) in de VS op zijn hand te krijgen, en hij bewees voldoende lippendienst aan de wenselijkheid van sociale veranderingen om aanvaardbaar te zijn voor de progressieven in de VS. Maar de sociale hervormingen bleven uit en de repressie tegen de veranderingsgezinde boeddhisten werd steeds erger.

Diem werd door de tijd ingehaald. Het Zuid-Vietnamese leger (ARVN) had de opdracht van Diem om verliezen zoveel mogelijk te vermijden, omdat dit voor de binnenlandse politieke verhoudingen beter was. Het leger zette overdag de plattelandsbevolking onder druk met rooftochten en plunderingen. ’s Nachts kwam de Vietcong uit de schuilplaatsen tevoorschijn. Het regime van Diem had eigenlijk alleen draagvlak in de steden. Het Amerikaanse beleid was met zijn steun aan Diem al achterhaald voordat het tot uitvoering kon komen.

In mei 1963 kwam de boeddhistische meerderheid van de bevolking in opstand tegen het regime. Monniken staken zichzelf uit protest op straten en pleinen in brand. Diem en zijn broer Nhu, die de geheime politie en de speciale eenheden van het leger controleerde, grepen genadeloos in. De ene golf van arrestaties volgde op de andere. Diem luisterde net zo min naar de Amerikanen als Tsjang Kai-Shek het eerder in Taiwan gedaan had. Een op aandringen van de VS gesloten compromis met de boeddhisten leefde hij niet na. Hij liet een groep handlangers, in Zuid-Vietnamese legeruniformen vermomd, het boeddhistische hoofdkwartier overvallen. Het ARVN kreeg de schuld. Het werd Washington langzaam maar zeker duidelijk dat Diem (en vooral zijn broer en diens echtgenote) niet meer te handhaven waren.

Signalen van de legertop van Zuid-Vietnam aan de VS die in de richting van een coup wezen, werden voorzichtig met groen licht beantwoord. Die coup kwam op 1 november 1963. Bobby Kennedy heeft het gerucht de wereld in geholpen dat een aantal hardliners in de Amerikaanse regering op hol geslagen was in de richting van een coup. De heimelijk door de president in het Witte Huis gemaakte bandopnamen ontzenuwen echter dat gerucht: de president was volledig op de hoogte. Diem en zijn broer maakten in Saigon geen schijn van kans meer en werden op last van de nieuwe generaals-junta vermoord. Kennedy was geschokt. De CIA was daar verbaasd over: waar gehakt werd, vielen nu eenmaal spaanders.

Nu de verenigende kracht van de oppositie tegen Diem verdwenen was, versplinterde de samenleving in Zuid-Vietnam nog meer. Het land was niet stabiel en de junta was dat evenmin: elke nieuwe sterke man stond onder de verdenking de zoveelste omhoog gevallen korporaal uit het vroegere Franse koloniale leger te zijn. Het vervangen van de leiding loste het probleem van Zuid-Vietnam als afzonderlijke staat niet op. Was de dominosteentheorie van de jaren vijftig een decennium later nog onverkort geldig? De dominostenen in Zuidoost-Azië dachten er zelf anders over en zagen in een eventueel instorten van Zuid-Vietnam geen gevaar voor de eigen veiligheid. Alleen Zuid-Korea leverde een substantiële militaire bijdrage in Zuid-Vietnam (met in 1968 een maximum van 50.000 militairen). Dit was echter een tegenprestatie voor Amerikaanse economische en militaire steun. De dominostenen waren cultureel, politiek en geografisch te verschillend om zich aan de voorspelling van omvallen te kunnen houden. Voor Washington was de inzet in Vietnam een symbool van de wereldwijde belangen van de VS en van de geloofwaardigheid van haar beloften en bedreigingen voor vrienden en vijanden. Maar de overgrote meerderheid van de vrienden van de VS zag het nut van de aanwezigheid van de VS in Zuid-Vietnam niet in.

Toen Kennedy als president aantrad, waren er 900 Amerikaanse adviseurs in Zuid-Vietnam. In 1963 waren het er 16.300, waarvan een aantal al heimelijk aan gevechtsmissies deelnam. Ondanks de aandrang van het Pentagon ging Kennedy niet over tot het sturen van officiële gevechtstroepen. Voor de goede verstaander was zichtbaar dat Noord-Vietnam intern en extern voldoende sterk stond om ook zonder buitenlandse hulp te kunnen overleven. Voor Zuid-Vietnam was dit niet het geval. Diem zou geen week hebben kunnen overleven zonder Amerikaanse militaire en economische steun. Zuid-Vietnam was een kunstmatig overeind gehouden staat zonder voldoende draagvlak bij de eigen bevolking. Dit veranderde niet door het ten val brengen van Diem. Integendeel: door medeplichtig te zijn aan de coup verplichtte de VS zich nog meer aan Zuid-Vietnam dan al het geval was en nam het gehalte van kunstmatigheid in de cliëntstaat alleen maar toe.

De verhouding tussen beschermheer en cliënt veranderde: de cliënt kon de beschermheer chanteren, waardoor de staart met de hond begon te kwispelen. Er is in 1963 in de Amerikaanse regering wel gevraagd of de VS zich niet beter uit Vietnam kon terugtrekken. Deze optie is echter niet verder uitgewerkt. Er zou immers na de herverkiezing van Kennedy in 1964 in de tweede ambtstermijn nog voldoende tijd zijn om orde op zaken te stellen. Uitstellen was gemakkelijker dan het doorhakken van knopen, en het voortzetten van een steunprogramma was gemakkelijker dan het beëindigen ervan. De inmiddels 70 in Zuid-Vietnam gesneuvelde Amerikaanse militairen konden het offer van hun leven toch niet tevergeefs gebracht hebben?

Washington wist wat er in Saigon en te velde speelde. Omdat de waarheid ongemakkelijk was, werd de ene na de andere fact finding mission naar Zuid-Vietnam gestuurd. Door het op 8 februari 1962 oprichten van het Military Assistance Command Vietnam (MACV, door insiders ook wel Pentagon East genoemd) ontstond een tweede rapportagekanaal naar Washington: naast het State Department gaf nu ook het Pentagon gezaghebbende adviezen aan de regering. Het MACV was in zijn rapportages steevast positiever dan de Amerikaanse ambassade in Saigon: als het MACV nu maar de beschikking zou krijgen over de vereiste gevechtstroepen, vliegtuigen en helikopters (en toestemming voor het gebruik van napalm en ontbladeringsmiddelen) zou de strijd alsnog gewonnen kunnen worden. De escalatie bracht haar eigen logica met zich mee.

Toen de oud-topmilitair Taylor van juli 1964 tot juli 1965 ambassadeur in Saigon was, werd objectieve rapportage helemaal problematisch. Het leger, dat bij alle bezuinigingen in de jaren vijftig de klappen had moeten opvangen, organiseerde geen interne tegenspraak. Het MACV smoorde alle kritiek van officieren te velde, die met eigen ogen zagen hoe weinig draagvlak het regime in Saigon op het platteland had en hoe erbarmelijk het ARVN presteerde. Dissidente Amerikaanse officieren werden overgeplaatst of kregen geen bevordering. Men doorzag in Washington niet dat het leger en de andere krijgsmachtonderdelen institutionele belangen hadden bij positieve rapportage. De regering begon tegen zichzelf te liegen.

De berichten werden zo tegenstrijdig dat Kennedy na de zoveelste fact finding mission vroeg of de heren wel hetzelfde land hadden bezocht. De toestand werd erger omdat Dean Rusk, de matig presterende minister van buitenlandse zaken, de confrontatie met de in zijn ogen briljante collega van defensie, Robert McNamara, uit de weg ging. Rusk bleef van mening dat defensie leidend was zolang er gevechtshandelingen plaatsvonden; pas na een staakt-het-vuren zou buitenlandse zaken het voortouw nemen bij de onderhandelingen. Deze houding bracht met zich mee dat Groot-Brittannië en Frankrijk, bondgenoten die tegen de uitbreiding van het Vietnamese avontuur van de VS waren, nauwelijks in Washington gehoord werden. McNamara had de leiding, en zoals hij het autoconcern Ford had weten te managen, zou hij dat ook met de strijd in Vietnam kunnen doen. Een strijd onder leiding van McNamara moest haast wel een geslaagde onderneming zijn, dacht men. Met rationaliteit en krachtige methodische inzet zou de strijd te winnen zijn.

Een oorlog houdt zich echter niet aan de regels van het management en is niet wiskundig te berekenen. McNamara was niet het enige lid van de regering dat aan chronische zelfoverschatting leed, maar hij was wel de belangrijkste exponent van de opvatting dat een goede analyse van de complete data als vanzelf de oplossing voor het probleem aanreikte. De gegevens waren echter op leugens gebaseerd en de vooronderstellingen ervan deugden niet. Daarin was McNamara het tegenovergestelde van briljant.

Het was de verkeerde oorlog, want de VS kwam aan de kant van de onderdrukkers van bevrijdingsbewegingen te staan. De oorlog werd op de verkeerde plek gevoerd, want Vietnam was strategisch voor de VS niet van belang. De oorlog werd ook op het verkeerde tijdstip gevoerd, omdat het klassieke paradigma van de Koude Oorlog inmiddels op lemen voeten stond. Kennedy erfde het probleem van Zuid-Vietnam van zijn voorganger Eisenhower, maar zette diens beleid ondanks de veranderde omstandigheden voort. Het levenswerk van Kennedy moest weer worden voortgezet door Johnson, die in het eerste jaar van zijn presidentschap onvoldoende afstand kon nemen van zijn voorganger. De Vietnamese teerling was toen eigenlijk al geworpen door de blunders van de regeringen van Eisenhower en Kennedy. Hanoi had geen andere optie dan het opvoeren van de strijd voordat de Amerikaanse escalatie compleet was. De zuid eerst stroming kreeg nu definitief de overhand. De Amerikaanse mogelijkheden tot escalatie zouden echter blijven achterlopen op die van Hanoi.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: