Een kluwen van belangen (Suez 1956)

Het United Kingdom heeft in de kluwen van belangen en conflicten van de Suezcrisis de meest opvallende – en merkwaardige – rol gespeeld. Het Britse buitenlandse en economische beleid was eigenlijk een anachronisme: na de Tweede Wereldoorlog werden de zaken op de oude voet voortgezet. De democratie werd met de mond beleden, maar in de praktijk ging het om het handhaven van het Empire (later gematigd tot Commonwealth, gemenebest) als gesloten handelsblok met gemeenschappelijke tariefmuren en een gezamenlijke valuta: de Sterling area. In het gezamenlijke handelsverkeer was het Pond niet inwisselbaar tegen de Dollar. Het was voor de Britten moeilijk om de onaangename waarheid onder ogen te zien dat het Empire meer kostte dan het opleverde. De defensiekosten werden in 1947 geschat op 1 miljard pond. De grondstoffen uit de koloniën leverden onvoldoende op om de voor de industrie noodzakelijke Amerikaanse machines te importeren. Deze import moest in dollars worden betaald. Anderzijds leverde de kunstmatige werkelijkheid van het Empire veel werkgelegenheid op; voor de naoorlogse Labourregering was dit een belangrijk punt. De Britse industrie had in de koloniën gegarandeerde afzetmarkten en hoefde nauwelijks innovatief of concurrerend te zijn. Omdat de grondstoffen goedkoop uit de koloniën werden geïmporteerd en de naar de koloniën geëxporteerde eindproducten duurder waren, bleef Engeland rijk en de koloniën arm. Kortom: business as usual. Het hele systeem dreef echter meer en meer op geldleningen vanuit de VS. Vroeg of laat kon de Britse regering pijnlijke keuzes niet langer ontwijken. Uitstel van deze keuzes betekende een negeren van de financiële werkelijkheid en het ontkennen van de maatschappelijke ontwikkelingen in het Midden-Oosten, vooral in Egypte.

Eind oktober 1951 wonnen de Conservatieven onder leiding van Churchill de verkiezingen. Churchill had gezondheidsproblemen. Zijn minister van buitenlandse zaken Eden kreeg steeds meer invloed. Hij gaf leiding aan de onderhandelingen met Nasser over het terugtrekken van de Britse strijdkrachten uit de Kanaalzone. Eden had Perzisch en Arabisch gestudeerd maar was meer op het museum en de cultuur gericht dan op de Arabische werkelijkheid. Nasser en Eden bevonden zich als het ware op verschillende etages en spraken door het trapgat. Eden hield een plan van de Londense City tegen om het Pond toch inwisselbaar tegen de Dollar te maken. Hij voelde er niet voor om ook maar een deel van het Empire op te geven: de Sovjets zouden gebruik maken van het ontstane vacuüm. In het Empire als bolwerk tegen de Sovjet-Unie zouden de Britten als soldaten fungeren en de Amerikanen als financiers. De Amerikanen volgden echter een eigen lijn, zagen weinig in het door de Britten zo gepropageerde Bagdad Pact en wilden Nasser niet buitensluiten. Het Midden-Oosten werd voor de Amerikanen steeds meer van strategisch belang. De Britten moesten steeds meer rekening houden met de werkelijke krachtsverhoudingen, maar hadden er moeite mee de tweede viool te spelen.

Churchill moest uiteindelijk als premier tegenspartelend plaatsmaken voor Eden. Eden volgde nu een hardere lijn tegenover Nasser dan eerder hij als minister van buitenlandse zaken gedaan had. Dit werd toegejuicht door een groep conservatieve leden van het Lagerhuis, de Suez Group (die eenzelfde dubieuze rol speelde als de China Lobby in de VS). Wilde Eden onder de schaduw van zijn voorganger uit komen? Zelf had hij echter ook te maken met gezondheidsproblemen. Na een mislukte operatie aan zijn galwegen moest hij zich op de been houden met een cocktail van pepmiddelen, pijnstillers en drank. Dit verbeterde de stabiliteit van zijn optreden niet: hij zou eerder een crisis kunnen veroorzaken dan deze te beheersen. Hij deed weinig aan teambuilding in zijn kabinet en bemoeide zich met alle details.

Het optreden van Nasser werd voor Eden tot een obsessie. Nasser werkte het Britse Midden-Oosten beleid dat om het Bagdad Pact draaide tegen. Nasser legde met zijn optreden de vinger bij de eigenlijke zere plek: het Britse Empire was economisch en politiek vermolmd en had geen duurzame toekomst meer. Nasser was het ondeugende jongetje uit het sprookje over de nieuwe kleren van de keizer: het jongetje riep dat het paraderende Empire weinig meer om het lijf had. Nasser werd voor de Britten de reïncarnatie van Hitler. Toegeven aan Nasser betekende appeasement. In Downing Street begon de overtuiging zich vast te zetten dat Nasser weg moest. Niet slechts buiten spel gezet door politieke en economische druk, zoals de VS wilde, maar uit de weg geruimd. De Britse geheime dienst begon plannen voor een moordaanslag te maken. Sovjet-adviseurs overtuigden Nasser er toen van dat zijn persoonlijke beveiliging veel te wensen overliet.

De nationalisatie van het Suezkanaal kwam voor de Britten als een grote schok. Niet dat nationalisatie voor hen een onbekend verschijnsel was; integendeel. Maar men had nooit gedacht dat Nasser dit instrument tegen de Britten zou gebruiken. De reactie was in eerste instantie dan ook emotioneel. Hier stond de toekomst van het Empire op het spel. Als Nasser hier ongestraft mee wegkwam, wat zou andere zich ontwikkelende landen ervan weerhouden om soortgelijke avonturen te beginnen? De optie van militair ingrijpen lag vanaf het begin op tafel. Een rationele kosten-baten-analyse ontbrak echter. De Britse regering had zichzelf door het voor zich uitschuiven van de noodzakelijke hervorming van de Sterling area in een dode hoek gemanoeuvreerd. Nu was het Pond kwetsbaar. Zouden de Britten tegen Nasser optreden, dan zou de monetaire steun van de VS weg kunnen vallen en het Pond aan waarde verliezen. Zouden de Britten omgekeerd niet optreden, dan zou het vertrouwen in het Pond ook kunnen dalen. Het ontsnappen uit dit dilemma vroeg om een ander staatsmanschap dan Eden wist te presenteren. Had men met een bliksemactie de zojuist ontruimde Kanaalzone weer bezet dan had deze stap misschien nog op begrip kunnen rekenen. Naarmate de tijd verder voortschreed kwam de militaire optie echter moeilijker te liggen. De Britse scheepvaart door het kanaal werd immers geen strobreed in de weg gelegd. Israël had een probleem, maar dat was niet de eerste zorg voor de Britten. Het Foreign Office voelde haarscherp aan hoe het venster om in te grijpen steeds verder dicht ging. Maar Eden organiseerde geen tegenspraak en sloot het Foreign Office buiten.

De Britse politici waren bezig met het voeren van de vorige oorlog. Appeasement, Hitler en Mussolini spookten door de regering, de pers en de publieke opinie heen. Ook de militairen waren met het voeren van de vorige oorlog bezig. De haastige spoed waarmee operatie Market Garden in september 1944 was opgezet, was de geallieerden slecht bekomen. De Britse generale staf was van mening dat langzaam maar zeker een militair overwicht moest worden opgebouwd om succes te garanderen. Daarvoor moesten reservisten worden opgeroepen. De Britse strijdkrachten waren getraind op de verdediging van Europa. Nieuwe training was nodig en kostte tijd. De op Cyprus gelegerde strijdkrachten hadden de handen vol aan het bedwingen van de onlusten op dat eiland. De regimenten in Libië waren nodig om de orde te handhaven als er een volksopstand zou ontstaan door Brits ingrijpen tegen Nasser. De havens en vliegvelden op Cyprus waren niet goed bruikbaar voor een grootschalige aanval. Op Malta speelde dat probleem niet, maar dat lag weer veel verder weg. De militairen hadden noch de mindset noch de bekwaamheid om de Britse regering een optie voor ingrijpen op korte termijn te bieden, ook niet in samenwerking met Frankrijk.

Het had er alles van weg dat de Britten meer bezig waren met het verleden en hun status dan met de werkelijke krachtsverhoudingen. Welk politiek doel moest een militaire operatie dienen? De verdrijving van Nasser? In een tv-toespraak van 8 augustus zei Eden dat het UK geen conflict met Egypte had, alleen met Nasser. Maar Nasser werd massaal door de Egyptische bevolking gesteund; er was geen alternatief voor hem. Een politicus die de Britse goedkeuring kon wegdragen én draagvlak had bij de Egyptische bevolking was niet te vinden. Als het er om ging Nasser te verdrijven, zou Caïro het doel van de aanval moeten zijn. Maar de Britse regering wenste geen Stalingrad-achtige taferelen met massale slachtoffers onder de burgerbevolking. Moest het politieke doel van de aanval dan toch de bevrijding van het Suezkanaal zijn? Maar de vrije doorvaart was door Nasser gegarandeerd – ook uit welbegrepen eigenbelang. Als het Suezkanaal de vitale slagader van het Empire was en het verlies van het beheer ervan apocalyptische gevolgen zou hebben, waarom had Eden dan eerder de overeenkomst met Nasser getekend tot ontruiming van de Kanaalzone? Moest de doelstelling van een aanval dan de internationalisering van het beheer van het Suezkanaal zijn? Maar de Britse regering had nooit werk gemaakt van deze internationalisering en het nooit een probleem gevonden dat het beheer van het Kanaal voornamelijk in Britse en Franse handen was. Kortom: het lukte de Britse regering niet om een geloofwaardige casus belli te construeren. Frankrijk en Israël konden dat wel. De Golf van Aqaba en het Suezkanaal waren voor het Israëlische scheepvaartverkeer afgesloten, en Nasser leverde wapens aan de Algerijnse opstandelingen. Maar alles wat de Britten op tafel legden, was ver gezocht.

Tenslotte de VS. De VS was niet tevreden met de haar door de Britten toegedachte rol van stilzwijgende financier van het Midden-Oosten-beleid, waarbij het UK voor de militaire menskracht zou zorgen. De Amerikanen zagen niets in de voortzetting van het oude Britse en Franse koloniale beleid, al moesten zij ter wille van hun bondgenoten in de Koude Oorlog compromissen aanvaarden. Hun zorg lag bij de Arabische volksmassa’s, die bij een te massief Brits en Frans optreden in woede zouden ontsteken. De Amerikanen investeerden in goede relaties met de nieuwe middenklasse van de effendis. Zij zagen wel iets in Nasser als nieuwe leider waar niemand omheen kon.

De VS had echter een dubbel probleem. Enerzijds was het Congres, waarin de Democraten de meerderheid hadden, niet erg gebrand op het verstrekken van buitenlandse hulp en het financieren van de concurrentie van de eigen industrie. Wilden Eisenhower en Dulles hulp verstrekken, dan kon dit alleen door de instrumenten van threat inflation en pactomania in te zetten. Wie immers kon hulp weigeren aan landen die zich verplicht hadden om gezamenlijk met de VS tegen het Rode Gevaar te strijden? Het door het UK bepleite Bagdad Pact (met Irak, Turkije en Pakistan) vormde geen aantrekkelijke optie, omdat Nasser elke poging om buiten hem om allianties te sluiten, tegenwerkte. Anderzijds was een pact tussen de VS en Nasser uitgesloten vanwege de binnenlandse oppositie waar Nasser mee te maken had en de Britse gevoeligheden. Nassers erkenning van de Volksrepubliek China tastte een hoeksteen van het Amerikaanse buitenlandse beleid aan. Nasser kon wel beweren dat hij eigenlijk geen belang had bij een oorlog met Israël, maar dit was voor Eisenhower niet genoeg om de kiezers van Joodse huize tegemoet te komen.

De VS zag niets in gewapend optreden. De Arabische volksmassa’s zouden in woede uitbarsten, en bevriende regeringen zouden ten val kunnen komen. Raakten de Afro-Aziatische landen van het Westen vervreemd, dan spon de Sovjet-Unie daar garen bij. Volgens Eisenhower en Dulles pakte militaire actie alleen maar contraproductief voor de Britse belangen in het Midden-Oosten uit. De vreedzame middelen moesten eerst uitgeput zijn. Nasser trof inmiddels voorbereidingen om in geval van een aanval het kanaal door het tot zinken brengen van schepen te blokkeren. De VS koos voor een diplomatieke oplossing. Dulles organiseerde met de Britten twee conferenties van (zorgvuldig geselecteerde) gebruikerslanden van het kanaal. De conferenties werden in augustus en september in Londen gehouden. Egypte was niet aanwezig. De uitkomst was een meerderheidsstandpunt over internationaal beheer van het kanaal. In feite kwam dit neer op een inbreuk op de soevereiniteit van Egypte. Een voorstel van India en de Sovjet-Unie om te komen tot een internationaal adviesorgaan werd verworpen. De Australische premier Menzies werd afgevaardigd om de boodschap aan Nasser over te brengen; Dulles had (wijselijk?) voor die eer bedankt. Het bezoek van Menzies was zinloos, omdat hij geen mandaat tot onderhandelen had. Eden zei in het Lagerhuis dat de weg naar militair ingrijpen nu open lag, maar zowel Eisenhower als Dulles ontkenden dat luid en duidelijk.

De SCC riep, om de scheepvaart op het kanaal te saboteren, alle Europese loodsen op 14 september op om het werk neer te leggen. De kleine minderheid van Egyptische loodsen zou, zo hoopte en verwachtte men, niet in staat zijn om het kanaal zelfstandig open te houden voor de scheepvaart. Binnen de zes weken hadden de Egyptische loodsen de scheepvaart door het kanaal weer op het normale niveau gebracht. Dit staaltje westers superioriteitsdenken kwam de geloofwaardigheid van het UK en Frankrijk niet ten goede: hoe konden zij die de vrije doorvaart zo bepleitten deze doorvaart zelf in gevaar brengen?

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: