De Brits-Amerikaanse staatsgreep in Iran (1953)

Van de ene crisis naar de andere

Onder het motto: “van de ene crisis naar de andere” zijn vele bijdragen over de Koude Oorlog in de jaren vijftig te vullen. Dat wordt dan wel een erg lange serie. Daarom werk ik liever met afzonderlijke titels. Soms waren de crises vooral te wijten aan de Sovjet-Unie of het Oostblok (de opstand in de DDR, Polen, de opstand in Hongarije, de Berlijncrisis). Soms werd de VS door haar eigen bondgenoten bewust buiten de deur gehouden (de Suezcrisis) en soms deed de VS dat met haar bondgenoten (Guatemala). Wij zullen het onderweg wel tegenkomen. De buitenlandse politiek van de VS werd gekenmerkt door activisme (overal zag men communistische dreigingen waartegen opgetreden moest worden), dreigingsinflatie en een zekere nervositeit. Wilde of kon men niet zien dat er ook sprake kon zijn van een nationalistisch communisme in een eigen context? Van de Sovjet-Unie mocht dit niet (one size fits all), de VS was blind voor een plaatselijke context of voor het bedrog van bondgenoten als Diem en Tsang. Het verhaal van inmenging in andere landen begint in Iran.

In de jaren vijftig groeide de CIA uit tot een machtsinstrument van formaat. Het aantal medewerkers voor geheime operaties in het buitenland was tussen 1949 en 1952 vertienvoudigd. Daarnaast opereerden er duizenden contractmedewerkers buiten de VS. Het aantal centra in het buitenland van waaruit de CIA werkte was gestegen van 7 naar 47. Het budget voor geheime activiteiten was van 4,7 miljoen naar 82 miljoen dollar gegroeid. Door haar succesvolle ingrepen in Iran en in Guatemala kreeg de organisatie een sinistere reputatie. Ook in Iran had de CIA een netwerk opgebouwd. Het telde 130 agenten en was een vrijgevochten bedoening.

Voor het ontstaan van de crisis in Iran waren de Britten verantwoordelijk. In 1908 was er olie in het land ontdekt. De Britse regering vond deze olie strategisch zo belangrijk dat zij een meerderheidsbelang in de aandelen van de Anglo-Persian Oil Company kocht. De naam van de onderneming veranderde later in Anglo-Iranian Oil Company (AIOC); nog later werd de naam BP (British Petroleum). Er was ondanks de oude naam echter weinig Perzisch of Iraans aan het bedrijf. Iran kreeg slechts 16% van de behaalde winst uitgekeerd. Het merendeel van de staf was Brits. Er werden weinig inheemse technici opgeleid. Voor Groot-Brittannië leverden de activiteiten van de onderneming veel op. In 1949/50 ging het om 24 miljoen Pond aan belastingen en 92 miljoen aan deviezen. De Britse marine betrok 85% van haar brandstof van de AIOC.

In 1949 waren Saoedi-Arabië en de ARAMCO (Arabian-American Oil Company) overeengekomen om de winst voortaan fiftyfifty te verdelen. De Amerikanen waarschuwden hun Britse bondgenoten dat het hoog tijd werd om de voorwaarden van de indertijd met Iran aangegane overeenkomst en vooral het winstpercentage aan te passen. De Britten boden toen Iran een percentage van 24% aan, minder dan de helft van de door Iran gewenste gelijke verdeling van de winst. Het was te weinig en het kwam te laat. AIOC was van mening dat Iran dankbaar diende te zijn voor het beschavingsoffensief van de onderneming in het land. In werkelijkheid ging het om een economisch en koloniaal offensief met bitter weinig beschaving. Het Iraanse parlement verwierp de door de Britten aangeboden aanpassingen in de overeenkomst. De democratisch gekozen premier Mohammed Mossadeq, geen radicaal maar een rijke landeigenaar, nationaliseerde op 1 mei 1951 de AIOC.

Daarmee kwamen de Britse regering als houder van de meerderheid van de aandelen en de Iraanse overheid lijnrecht tegenover elkaar te staan. De Labourregering, die enthousiast nationalisatie in het binnenland toepaste, was totaal onvoorbereid op de Iraanse ingreep in haar belangen. Zij was wel bereid kleine concessies te doen, maar wenste tot elke prijs de controle en het beheer over de Iraanse olie te behouden. Voor Mossadeq was ook geen compromis mogelijk. Het ging hem als nationalist om de soevereiniteit van Iran over de eigen bodemschatten. Daarom kon het bestaande beleid niet met kleine aanpassingen worden voortgezet. De buitenlandse inmenging in Iraanse aangelegenheden, of deze nu van de Sovjets of van de Britten kwam, moest afgelopen zijn. Vanaf zijn pauwentroon zag de sjah de brede steun die Mossadeq genoot met lede ogen aan. Hij was veel meer bereid een prowesterse aanpassingspolitiek te voeren, maar had geen constitutionele mogelijkheden om deze af te dwingen.

Vanuit Londen probeerde de regering-Attlee eerst Mossadeq te vervangen door een meer meegaande eerste minister. Toen dat niet lukte, berichtte zij aan Iran dat zij de overname van Brits eigendom niet erkende. Mossadeq reageerde dat nationalisatie het soevereine recht van alle staten was, maar dat hij bereid was tot overleg over een schadevergoeding. Londen kondigde een embargo af op Iraanse olie en op het vervoer ervan. Nagenoeg alle olietankers waren in handen van de oliemaatschappijen, die wel een eerlijke deling van de winst wilden overwegen, maar mordicus tegen nationalisatie waren. De Iraanse olie-inkomsten droogden op en de regering in Teheran moest papiergeld bijdrukken om aan haar binnenlandse verplichtingen te kunnen voldoen. Mossadeq stuurde alle Britse medewerkers van AIOC het land uit. In november 1951 verbrak de Britse regering de diplomatieke betrekkingen en sloot zij haar ambassade in Teheran.

Iran was al eerder een zere plek in de Koude Oorlog geweest. De VS keerde zich tegen eventueel gebruik van geweld door de Britten, zag Mossadeq als een potentiële bondgenoot tegen de Sovjet-Unie en bood haar goede diensten aan voor het bereiken van een compromis. De Britten onderhandelden wel, maar alleen om de onverzoenlijkheid van Mossadeq aan de kaak te kunnen stellen. Zij probeerden de regering van Mossadeq op allerlei manieren uit balans te brengen door economische druk, financiële steun aan de oppositie, en propaganda. Mossadeq werd ingekaderd in de Koude Oorlog en afgeschilderd als afhankelijk van de communistische Tudeh-partij. Deze tactiek werkte als een zichzelf vervullende profetie: de tegenstander werd uit balans gebracht, raakte geïsoleerd, moest ook elders – bij de communisten – steun zoeken en werd vervolgens als gevaarlijke communist neergezet. Reputaties werden bezoedeld: Mossadeq was een opiumschuiver en zijn minister van buitenlandse zaken een verduisteraar. Het vitriool dat de BBC te bar vond om uit te zenden, werd doorgespeeld naar de VS waar het zijn weg naar de drukpersen wel vond.

In het Verenigd Koninkrijk had Churchill de verkiezingen gewonnen. Zijn minister van buitenlandse zaken, Anthony Eden, stuurde een team naar Washington om over een staatsgreep in Iran te overleggen. Dit was volgens de Britten de enige overgebleven uitweg. Op hoog niveau werd met de CIA overleg gevoerd. Het ging de Britten gewoon om het herstel van de oude stand van zaken: Iran als Britse achtertuin. Naar de VS toe werd het rookgordijn opgetrokken dat het ging om het behoud van Iran tegen het communisme en het veilig stellen van de Iraanse olievelden tegen de Sovjet-Unie.

Kort na zijn aantreden als president nodigde Eisenhower minister Eden zelf op het Witte Huis uit om over de gang van zaken in Iran te spreken. De plannen voor een staatsgreep werden gemaakt en in juli 1953 door Eisenhower en door Churchill goedgekeurd. Wat bracht de Amerikanen ertoe om hun koers te wijzigen nadat zij maanden lang de Britse boot hadden afgehouden? Na de wapenstilstand in Korea waren zij kennelijk niet meer bezorgd over eventuele militaire tegenmaatregelen van de Sovjets in Iran. De militaire krachtsverhoudingen waren onder Truman al ten gunste van de VS veranderd. De new look van de nieuwe Republikeinse regering moest op de een of andere manier zichtbaar gemaakt worden. De belangen van de olie-industrie wogen zwaar. De Amerikanen zouden voortaan een aandeel van 40% hebben in de oliewinning in Iran. Er moest een duidelijk signaal tegen nationalisatie komen om de Amerikaanse oliebelangen in andere landen te beschermen. En de AIOC had goede relaties in Washington: de gebroeders Dulles waren partners geweest in een advocatenkantoor dat de belangen van het olieconcern in de VS behartigde. Bovendien was het Amerikaanse beleid in Iran niet effectief gebleken; er was een nieuwe inzet nodig.

Met geld en veel goede woorden werd de sjah ervan overtuigd dat zijn positie door een staatsgreep niet in gevaar zou komen. De medewerking van de sjah was nodig vanwege de loyaliteit van het Iraanse officierskorps aan hun vorst; de sjah had alle benoemingen en bevorderingen boven de rang van majoor aan zich gehouden en zijn selectie van officieren doorgedrukt. De Britten brachten hun ervaring in Iran in. Zij hadden een groot netwerk in de Iraanse strijdkrachten en wisten precies wie op hun hand zou zijn en wie niet. Ook hadden de Britten goede contacten met de Iraanse elite, de pers en de zakenwereld. De Amerikanen brachten hun ambassadegebouw in, hun netwerk van 123 militaire adviseurs en de door hen getrainde tankbemanningen: de VS had 42 Sherman-tanks geleverd aan de Iraanse strijdkrachten. Niet alle contacten waren even fris. De beoogde opvolger van Mossadeq, generaal Zahedi, was tijdens de oorlog vanwege zijn Nazisympathieën geïnterneerd geweest; ook werd de Iraanse onderwereld op grote schaal ingeschakeld. In de week voor de coup strooide de CIA met zoveel dollars dat de koers op de plaatselijke zwarte markt met 1/3 daalde. De stammen in de woestijn kregen wapendroppings. De commandant van de politie werd ontvoerd en vermoord. Mossadeq schrapte daarna al zijn publieke optredens, en werd prompt in westerse kranten beschuldigd van melodramatische achtervolgingswaan.

De staatsgreep dreigde nog even te mislukken, omdat Mossadeq getipt was en loyale strijdkrachten zijn residentie verdedigden. Hij weigerde de aan hem uitgereikte ontslagbrief te aanvaarden, omdat de sjah het recht niet had om een premier te ontslaan. Overal in Teheran braken rellen uit. De in allerijl naar Iran teruggevlogen Amerikaanse ambassadeur bezocht Mossadeq en zette hem onder zware druk om orde en rust te herstellen, omdat anders alle toezeggingen van Amerikaanse hulp kwamen te vervallen. Mossadeq gaf het leger de opdracht om de straten schoon te vegen. Daarmee trapte hij in de val die de CIA voor hem gezet had: de straten in Teheran werden gecontroleerd door aan de sjah loyale strijdkrachten die hun steun aan de staatsgreep gaven. Op 19 augustus 1953 kwam Mossadeq ten val. Uiteindelijk kreeg hij drie jaren gevangenisstraf en daarna huisarrest tot aan zijn dood in 1967.

Het stof was nog niet opgetrokken of Eisenhower verklaarde al dat het vaderlandslievende leger met behulp van de het communisme verafschuwende bevolking in een gezamenlijke liefde voor de monarchie het land voor de ondergang hadden behoed. En dit was decennia lang het officiële verhaal. In Iran kwam een repressief bewind aan de macht. De oppositie en vooral de communisten werden uitgeschakeld. Tientallen kregen de doodstraf, bijna 150 mensen kregen levenslange gevangenisstraf. De VS stuurde 40 miljoen dollar aan hulp. De olieproductie kwam weer op gang. De integriteit van de pauwentroon was bezoedeld. De haat tegen de Amerikanen zat voortaan diep en zou later in het gijzelingsdrama van 1979 tot een uitbarsting komen. De VS speelde in 1979 de vermoorde onschuld.

Was het wel een crisis in Iran, of spelen we zo juist de Britse en Amerikaanse redenering in de kaart: een crisis maakte extern ingrijpen noodzakelijk, en daarna was de crisis opgelost en de situatie genormaliseerd? Het antwoord op de vraag is duidelijk. Er was een probleem dat door Britse uitbuiting, indolentie, racisme en halsstarrigheid was veroorzaakt. Dat probleem werd ingekaderd en overdekt door het denken in twee werelden of machtsblokken. Oliebelangen speelden hierbij een grote rol. De democratisch gekozen Iraanse regering-Mossadeq was kansloos. Na het externe ingrijpen was de situatie niet stabiel, maar ontstond juist een permanente crisis op het gebied van mensenrechten en democratie – juist de principes waar de Britten en Amerikanen zich in de Koude Oorlog op beriepen. Het zal om deze reden zijn dat de crisis in de archieven is verdonkeremaand. De Amerikaanse archieven over wat er in 1953 gebeurde gaan met grote vertraging open. Bij onderzoek blijkt veel archiefmateriaal vernietigd te zijn. De Britten zijn zo mogelijk nog terughoudender met openbaarmaking. Het National Security Archive is met zijn Briefing Books onvermoeibaar in het boven tafel krijgen van de waarheid. Ik heb er dankbaar gebruik van gemaakt.

Gepubliceerd door dsdiederik

Emeritus predikant met liefde voor geschiedenis. Muzikaal taalkunstenaar. Schrijft over Koude Oorlog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: